Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primairde bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren, en
subsidiairde zaak aan te houden en Jeugdzorg met spoed een persoonlijkheidsonderzoek naar de moeder te laten verrichten bij een onafhankelijke instelling, opdat het hof daarna een terdege beslissing kan nemen.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
Onderdeel I.3betoogt dat indien het hof van oordeel is dat Jeugdzorg op grond van artikel 1:258 lid 1 BW Pro de bevoegdheid heeft tot het geven van contactbeperkende aanwijzingen, dat oordeel eveneens getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat deze bepaling een dergelijke verstrekkende bevoegdheid niet geeft.
Onderdeel I.4neemt tot uitgangspunt dat het hof het beroep van de moeder niet aan artikel 1:258 lid 1 BW Pro heeft getoetst en betoogt dat het hof in dat geval art. 25 Rv Pro heeft geschonden. Nu geen sprake is van uithuisplaatsing had het hof, ambtshalve de rechtsgronden aanvullend, aan art. 1:258 lid 1 BW Pro moeten toetsen, aldus de klacht.
uitsluitendin het geval van
uithuisplaatsingbevoegd is het contact tussen de gezagsouder en het kind te beperken. Gedurende (enkel) een ondertoezichtstelling kan door middel van een aanwijzing op de voet van art. 1:258 BW Pro niet een beperking van het contact tussen gezagsouder en kind worden bewerkstelligd, aldus het middel (cassatieverzoekschrift, onder 2.12 en 2.22).
NJ1971/391. Deze zaak betrof een geval waarin de ouders niet meer samenwoonden en de onder toezicht gestelde kinderen bij de moeder verbleven, waarbij het contact met de vader tijdelijk werd verbroken; er was derhalve geen sprake van uithuisplaatsing. Uw Raad oordeelde dat
voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige als bedoeld in artikel 261” in artikel 1:263a lid 1 BW zou kunnen zijn dat de wetgever vooral heeft willen benadrukken dat van een contactbeperkende aanwijzing uiteraard slechts sprake kan zijn voor zover die noodzakelijk is in het kader van de maatregel en zich daarbij een dergelijke contactbeperking vooral heeft voorgesteld in situaties waarin het onder toezicht gestelde kind tevens uit huis is geplaatst. Is dat niet het geval en woont het onder toezicht gestelde kind bij zijn ouders, dan is een beperking in contact tussen (één van) die ouders en het kind immers nauwelijks voorstelbaar. Het geval dat twee gescheiden levende ouders ieder met het gezag belast zijn, waarbij voor één van beiden een met een uithuisplaatsing vergelijkbare situatie ontstaat doordat bepaald is dat het onder toezicht gestelde kind zijn hoofdverblijfplaats voortaan bij de andere ouder zal hebben [34] – in casu zelfs na afloop van een formele uithuisplaatsing – heeft de wetgever vermoedelijk niet op het netvlies gehad. Ik merk in dit verband op dat ten tijde van de inwerkingtreding van art. 1:263a BW – namelijk van 2 november 1995 tot 1 januari 1998 – de wet nog bepaalde dat na scheiding de ouders slechts op hun eensluidend verzoek gezamenlijk belast konden blijven met de uitoefening van het gezag. Eerst sinds 1998 is de situatie omgekeerd en loopt het collectieve gezag na scheiding automatisch door, tenzij een van de ouders op zijn verzoek alleen met het gezag wordt belast. [35]
uithuisplaatsing van een minderjarige als bedoeld in artikel 261bedoeld is uit te sluiten de uithuisplaatsing met machtiging op grond van de Wet Bopz en/of de uithuisplaatsing die de ouders vrijwillig hebben geregeld zonder bezwaar van Jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 1:258 lid 3 BW Pro. [39] De Boer meent echter dat men mag aannemen dat ook bij laatstgenoemde vrijwillige uithuisplaatsing een aanwijzing in de zin van artikel 1:263a BW mogelijk is. [40]
nietmet gezag belaste ouder, dit nog steeds een uithuisplaatsing is, en dat derhalve eventuele aanwijzingen in de zin van artikel 1:263a mogelijk zijn en/of blijven voortduren. [42]
wijzigingvan een door de rechter vastgestelde zorg- of omgangsregeling te verzoeken, maar ook
vaststellingvan een regeling indien nog geen regeling in een beschikking was vastgelegd. [48] De wetgever geeft niet aan dat deze regeling dient ter opvulling van de in het middel gesignaleerde wettelijke lacune op het punt van gezagsbeperking buiten uithuisplaatsing. Dat zou ook onwenselijk zijn, omdat dat zou betekenen dat een – in de ondertoezichtstellingspraktijk frequent verlangde [49] – beperking van het contact tussen een gezagsouder en een niet uit huis geplaatst kind voortaan alleen nog maar zou kunnen plaatsvinden door middel van een rechterlijke beschikking in plaats van een schriftelijke aanwijzing van BJZ. Bovendien zou daardoor steeds een regeling gaan gelden die niet alleen werking heeft voor de duur van de maatregel, maar ook
nade ondertoezichtstelling in stand zou blijven (vgl. het huidige art. 1:263b lid 3 BW en het toekomstige art. 1:265g lid 3 BW), hetgeen mij eveneens onwenselijk voorkomt.
onderdeel I.2stelt, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de contactbeperkende aanwijzing op artikel 1:263a BW te baseren, ook al zou in het onderhavige geval geen sprake (meer) zijn van een formele uithuisplaatsing in de zin van artikel 1:261 BW Pro. Het hof heeft de contactbeperkende aanwijzing niet op art. 1:258 BW Pro gebaseerd en behoefde het verzoek ook niet aan die bepaling te toetsen, zodat ook de
onderdelen I.3 en 1.4geen doel treffen.