ECLI:NL:PHR:2014:303
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking verticale verliesverrekening bij houdstermaatschappijen volgens art. 20(4) Wet Vpb
De zaak betreft de uitleg van de houdsterverliesregeling in art. 20(4) Wet Vpb, die de verticale verrekening van verliezen beperkt indien de feitelijke werkzaamheid van een belastingplichtige nagenoeg uitsluitend bestaat uit het houden van deelnemingen. De vraag was of voorbereidende en afwikkelende werkzaamheden ook onder deze feitelijke werkzaamheid vallen en of perioden zonder feitelijke werkzaamheden buiten beschouwing moeten blijven bij de 90%-tijdtoets.
De Rechtbank Haarlem en het Hof Amsterdam oordeelden dat alleen de periode waarin daadwerkelijk een deelneming wordt gehouden telt als feitelijke werkzaamheid en dat voorbereidende of afwikkelende werkzaamheden niet onder het houden van deelnemingen vallen. Ook perioden zonder werkzaamheden tellen mee in de beoordeling van de 90%-tijdtoets. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitleg.
Advocaat-Generaal Wattel concludeerde dat hoewel voorbereidende en afwikkelende werkzaamheden in theorie onder het begrip kunnen vallen, de praktische uitvoerbaarheid en rechtszekerheid vereisen dat alleen daadwerkelijk gehouden deelnemingen meetellen. Ook de tekst van de wet en parlementaire geschiedenis ondersteunen een strikte grammaticale uitleg waarbij de feitelijke werkzaamheden gedurende 90% van het gehele boekjaar bestaan uit het houden van deelnemingen, inclusief perioden van inactiviteit.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het cassatieberoep ongegrond. De uitspraak bevestigt dat de houdsterverliesregeling strikt moet worden uitgelegd en dat de 90%-tijdtoets betrekking heeft op het gehele boekjaar, ongeacht of in delen van het jaar geen werkzaamheden zijn verricht.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; verliezen zijn geen houdsterverliezen omdat niet gedurende 90% van het jaar daadwerkelijk deelnemingen werden gehouden.