ECLI:NL:RBHAA:2011:BU6862
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verliesverrekening houdsteractiviteiten volgens artikel 20 lid 4 Wet Vpb
Eiseres verwierf in 2009 een belang van 5% in een andere vennootschap en ontplooide verder geen andere activiteiten. Verweerder kwalificeerde het verlies van €123.925 dat jaar als houdsterverlies op grond van artikel 20, vierde lid, Wet Vpb, wat beperking van verliesverrekening inhoudt.
De rechtbank onderzocht of de feitelijke werkzaamheid van eiseres gedurende het boekjaar nagenoeg uitsluitend bestond uit houdsteractiviteiten. Omdat eiseres minder dan 90% van het jaar een deelneming hield, was sprake van een periode van non-activiteit die niet tot houdsteractiviteiten gerekend mag worden. Dit volgt uit een grammaticale en wetsgeschiedenisinterpretatie.
De rechtbank verwierp het standpunt van verweerder dat voorbereidende werkzaamheden tot houdsteractiviteiten behoren. Ook de doel en strekking van de wet rechtvaardigen geen extensieve interpretatie in het nadeel van eiseres. De verliesverrekeningbeperking is slechts van toepassing als de feitelijke werkzaamheid gedurende ten minste 90% van het jaar houdsteractiviteiten betreft.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de beschikkingen en veroordeelde verweerder in de proceskosten van €1.092 en het griffierecht van €302. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de beschikkingen tot kwalificatie van het verlies als houdsterverlies worden vernietigd.