Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Beoordeling principaal cassatieberoep
kande curator aan de pandhouder een redelijke termijn stellen om tot uitoefening van zijn rechten op grond van art. 57 Fw Pro over te gaan. [6] Indien de pandhouder het onderpand niet binnen deze termijn heeft verkocht, dan
kande curator de goederen opeisen en met toepassing van art. 101 of Pro 176 Fw verkopen, onverminderd het recht van de pandhouder op de opbrengst. [7] Op grond van art. 58 lid 1 Fw Pro heeft de curator aldus twee cumulatieve bevoegdheden:
(i)het stellen van een redelijke termijn en
(ii)indien de termijn is verstreken het opeisen en verkopen van de goederen.
Middel 1bestaat uit vijf onderdelen.
Onderdeel 1.1betoogt dat het hof in rov. 4.4.2, in samenhang met rov. 4.3.2 en 4.4.1, heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangaande art. 58 lid 1 Fw Pro omdat het heeft miskend dat het verstrijken van een door een curator op de voet van art. 58 lid 1 Fw Pro gestelde en eventueel verlengde termijn van rechtswege en zonder meer leidt tot het verval van de hoedanigheid van separatist met als gevolg dat de curator bij uitsluiting bevoegd is de zaken te executeren. Althans, zo betoogt
onderdeel 1.2, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof heeft miskend dat het opeisen van goederen door een curator op de voet van art. 58 lid 1 Fw Pro van rechtswege en zonder meer leidt tot het verval van de hoedanigheid van separatist.
in beginselzijn separatistenpositie verliest en de curator het goed kan opeisen. Wanneer er omstandigheden zijn die meebrengen dat het niet in het belang van de boedel is dat de curator de goederen opeist na het verstrijken van de termijn en de curator de positie van de separatist behoort te eerbiedigen, kan dit mijns inziens meebrengen dat de separatistenpositie blijft bestaan. Deze maatstaf brengt mee dat een termijn niet zonder meer van rechtswege leidt tot het verval van de hoedanigheid van separatist en dat het opeisen van goederen door de curator – na het verstrijken van de termijn – evenmin zonder meer leidt tot het verval van de hoedanigheid van separatist. Dit betekent dat de onderdelen uitgaan van een onjuiste maatstaf en daarom falen.
kandoen. Hieruit blijkt dat er sprake is van een
bevoegdheiden niet van een verplichting. [18] Op de voet van art. 3:13 lid 1 BW Pro kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. Misbruik van een bevoegdheid bepaalt in wezen de grenzen van die bevoegdheid zelf. [19] In het tweede lid van dit artikel worden enkele voorbeelden genoemd van misbruik van bevoegdheid:
redelijkheidniet tot die uitoefening had kunnen komen.”