Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
i.e.of zij (i) hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en (ii) voor elkaar zorgden.
overinclusive: ook in een LAT-relatie moet ‘van samenwonen gesproken worden’, getuige de T in het acronym, maar LAT-relaties leveren expliciet géén gezamenlijke huishouding op in de zin van art. 3(3) WWB. Nu beider hoofdverblijf zich ‘in dezelfde woning’ moet bevinden, zal de rechter die woning moeten aanwijzen, of expliciet moeten vaststellen dat
beidepersonen
tweehoofdverblijven in twee verschillende ‘dezelfde woningen’ hebben.
twee‘hoofdverblijven’ van een stel gesproken worden als zich samenwoning op twee adressen voordoet die feitelijk gelijk gesteld kan worden met het door de wetgever (wél) voorziene geval van weliswaar twee woningen maar feitelijk hoofdverblijf op één adres. Dat betekent dat in een geval zoals in casu op
beideadressen het samenzijn vergelijkbaar moet zijn - behalve in temporeel opzicht - met samenwonen in één woning. Beide partners moeten dus in
beidewoningen een privéleven hebben dat - behalve temporeel - vergelijkbaar is met privéleven in één woning:
beidepartners moeten in
beidewoningen een nagenoeg even zware concentratie van levensbelangen onderhouden. Alleen dan immers kan gesproken worden van
tweehoofdverblijven op twee verschillende plekken:
beideverblijven moeten immers voor
beiden‘hoofd’verblijf zijn.
2.De feiten
living apart together. Het onderzoek kreeg een strafrechtelijk vervolg. [C] genoot een vast inkomen dat in de te beoordelen periode boven de bijstandsnorm voor gehuwden uitkwam. [1]
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
in confesso. Die feitelijke woonsituatie was aldus dat het uitkeringsadres belang-hebbendes hoofdverblijf was. Uw internationaal-belastingrechtelijke arresten waarnaar B&W verwijzen ten betoge dat twee personen twee hoofdverblijven in twee dezelfde woningen kunnen hebben, betreffen niet de term ‘hoofdverblijf in dezelfde woning’ van art. 3(3) WWB.
5.De Algemene Bijstandswet (oud)
7.De Wet inkomstenbelasting 2001
8.Jurisprudentie CRvB
AB2011/106 [50] oordeelde de CRvB dat ‘in feite van samenwoning moet worden gesproken’ in een geval waarin de partners steeds bij elkaar waren en onregelmatig wisselden tussen hun twee woningen:
tweehoofdverblijven in twee
verschillende‘dezelfde woningen’ mogelijk achtte.
beidewoningen substantieel worden gebruikt, maar de partners steeds – met name ’s nachts – bij elkaar zijn; alsdan wordt als hoofdverblijf aangewezen de woning waar zij de meeste tijd verblijven (het vaakst overnachten), ofwel (ii) de partners weliswaar niet (vrijwel) steeds samen zijn (niet (vrijwel) steeds gezamenlijk overnachten), maar het samenzijn zich vooral afspeelt in de woning van één van beide, zodanig dat het privé-leven van de één zich vooral bij de ander afspeelt. Alleen uit de in 8.9 geciteerde uitspraak kan mogelijk opgemaakt worden dat de CRvB meent dat de term ‘twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben’ aldus uitgelegd kan worden dat twee personen meer dan één ‘hoofdverblijf’ kunnen hebben en dat ‘dezelfde woning’
tweewoningen omvat.
9.Literatuur
10.Beoordeling
overinclusiveen daarmee inadequaat criterium: ook bij een LAT-relatie kan immers ‘in feite sprake zijn van samenwonen’, getuige de T in het acronym, maar LAT-relaties worden in de parlementaire geschiedenis expliciet niet als ‘gezamenlijke huishouding’ in de zin van art. 3(3) WWB en diens ABW-voorgangers gezien. Gezien de wettekst en diens geschiedenis is slechts beslissend of beiden het zwaartepunt van hun levensbelangen ‘in dezelfde woning’ hebben.
haareigen woning verblijft. Gezien de tekst van art. 3(3) WWB ligt bevestigende beantwoording van die vraag niet voor de hand: zowel ‘hoofdverblijf’ als ‘dezelfde woning’ zijn enkelvoud, en de feitenrechters hebben niet vastgesteld dat in één van beide woningen het zwaartepunt van de samenwoning/de relatie lag (vgl. de zaak geciteerd in 8.8 hierboven, waarin zulks wél werd vastgesteld). De feitenrechters hebben de plaats van het zwaartepunt van de relatie in het midden gelaten, evenals de vraag in welke woning het zwaartepunt van de levensbelangen van elk van beide partners lag. Zij hebben alleen maar vastgesteld dat niet
slechtsin één van beide woningen werd samengewoond.
steedsbij elkaar is en dat bovendien steeds beurtelings mede voor de ander boodschappen doet en kookt (‘bij elkaar te gast’). Dat is niet de situatie van [C] en de belanghebbende. Maar fundamenteler is dat het antwoord van de regering impliceert dat zij meent dat deze twee personen
tweehoofdverblijven in
verschillendewoningen hebben. Dat lijkt mij moeilijk verenigbaar met haar eigen opvatting (zie 5.13) dat ‘bij het hebben van of ingeschreven staan op
tweeadressen (…) toch sprake (kan) zijn van gezamenlijke huisvesting, namelijk wanneer betrokkenen feitelijk op een
enkeladres verblijven’. Indien een samenlevend stel sequentieel van woning naar woning trekt, kan men inderdaad stellen dat ‘de woning’ die hun ‘hoofdverblijf’ is steeds wisselt. Maar als beiden permanent tegelijkertijd een eigen woning en een eigen volledig ingericht huishouden los van elkaar hebben en beurtelings bij elkaar ‘te gast’ zijn, kan mijns inziens niet gesproken worden van een gemeen hoofdverblijf in dezelfde woning. Bezien vanuit de ratio van de regeling springt ook niet meteen de noodzaak daartoe in het oog als beiden steeds de kosten van het ‘te gast’ zijn van de ander voor eigen rekening nemen, naast de kosten van hun eigen volledig uitgeruste huishouding. U vergelijke het citaat in 6.3 hierboven: “In een LAT-relatie worden weliswaar in zekere mate kosten gedeeld, maar dat heeft over het algemeen niet als gevolg dat de noodzakelijke bestaans-kosten op een lager niveau kunnen worden gesteld.” En als dat wél zo is, dan is er de individualiseringsbevoegdheid ex art. 18(1) WWB. Men kan menen dat het niet
nodigof
onwenselijkis dat in een geval zoals ‘casuspositie 8’ de man of vrouw een eigen woning en huishouden aanhoudt op kosten van de gemeenschap, maar dat is een andere kwestie.
overinclusive). Het laat in het midden in welke ‘dezelfde woning’ de relatie haar hoofdverblijf heeft, en het is onverenigbaar met de uitsluiting van LAT-relaties uit het begrip ‘gezamenlijke huishouding’. Daardoor rijzen twee vragen: (i) nu de wettekst er geen steun voor biedt en de parlementaire geschiedenis op zijn best zichzelf tegenspreekt, eist dan de ratio van de regeling te aanvaarden dat een stel zoals [C] en de belanghebbende
tweehoofdverblijven tegelijk kan hebben in twee verschillende ‘dezelfde woningen’? En (ii) welke feitelijke situaties stonden de wetgever voor ogen toen hij LAT-relaties uitdrukkelijk uitsloot?
beideadressen het samenzijn vergelijkbaar moet zijn - behalve in temporeel opzicht - met samenwonen in één woning. Beide partners moeten dus in
beidewoningen een privé-leven hebben dat – behalve temporeel – vergelijkbaar is met privé-leven in één woning (vgl. de uitspraak geciteerd in 8.8): beide partners moeten in beide woningen een nagenoeg gelijk gewicht aan levensbelangen concentreren. Alleen dan immers kan - met enige semantische oprekking - gesproken worden van
twee‘hoofd’verblijven in twee ‘dezelfde woningen’:
beideverblijven moeten immers voor
beiden‘hoofd’verblijf zijn.
nietals economische eenheid vergelijkbaar met een gezin, dus niet als gezamenlijke huishouding, een LAT-relatie met de volgende trekken:
livinglijkt mij alsdan te weinig
aparten te veel
together. Maar dat is aan de feitenrechter.