ECLI:NL:CRVB:2012:BW6531
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en intrekking ANW- en AOW-uitkeringen
Appellante ontving sinds 1998 een ANW-uitkering en appellant een AOW-pensioen vanaf 2008 als alleenstaande. Naar aanleiding van een tip startte de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar mogelijke gezamenlijke huishouding, waarbij dossieronderzoek, buurtonderzoek en verhoren plaatsvonden. De Svb besloot de uitkeringen te herzien en terug te vorderen wegens het niet melden van samenwoning.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. Appellanten voerden aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerden, mede omdat zij op verschillende adressen stonden ingeschreven en de relatie als LAT-relatie zagen. De Raad oordeelde dat het aanhouden van verschillende adressen niet uitsluit dat sprake is van gezamenlijke huishouding als feitelijk samenwonen kan worden vastgesteld.
De verklaring van appellant tijdens het verhoor, ondersteund door andere onderzoeksbevindingen zoals het waterverbruik en verklaringen van familie, vormde een toereikende grondslag voor het oordeel dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Het ontbreken van een raadsman bij het verhoor werd niet als schending van art. 6 EVRM Pro gezien omdat het geen strafrechtelijke procedure betrof. De Raad bevestigde dat het oordeel van de strafrechter niet bindend is voor de bestuursrechter.
De Raad wees ook het beroep af dat appellant recht zou hebben op partnertoeslag bij AOW. De terugvordering werd niet inhoudelijk beoordeeld omdat geen zelfstandige beroepsgronden waren aangevoerd. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van de ANW- en AOW-uitkeringen bevestigd.