Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
11/00454bis(TBG Limited) en
C-24/12en
C-27/12
1.Overzicht
grandfather clause) niet beantwoord, maar is een andere weg ingeslagen, leidende tot toepassing niet van het EG-Verdrag/het VwEU, maar van uitsluitend het LGO-Besluit van de Raad van de EG van 2001.
carve outvoor belastingen bevat. Op basis van uw instructie beschouwt hij art. 11(3) Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) als een anti-
tax-havenmaatregel die onder deze
carve outvalt, door toepassing waarvan (de belemmerende werking van) art. 11(3) BRK ‘buiten de werkingssfeer’ van art. 47(1) LGO-Besluit valt (r.o. 53), op voorwaarde dat art. 11(3) BRK ‘daadwerkelijk en evenredig’ zijn doel nastreeft.
speciales: de algemene bepalingen over vrij kapitaalverkeer in het EG-Verdrag/het VwEU komen niet aan de orde als het om kapitaalverkeer tussen de Unie en de LGO gaat. Hij komt aldus terug op zijn eerdere arrest
Prunus, waarin voor de toepassing van het kapitaalverkeer de LGO nog expliciet werden aangemerkt als derde landen in de zin van art. 56 EG Pro.
bisheeft niet gereageerd. TBG (zaken 11/00453
bisen 11/00454
bis) meent dat art. 11(3) BRK niet daadwerkelijk op bestrijding van belastingontwijking is gericht, maar op de Nederlandse verdragsonderhandelingspositie, zodat art. 47(1)(b) LGO-Besluit niet wordt uitgeschakeld door art. 55 LGO Pro-Besluit. TBG betoogt subsidiair dat art. 11(3) BRK onevenredig uitpakt, nu het zich niet specifiek richt tegen volstrekt kunstmatige constructies en geen tegenbewijs toelaat. De wijziging van art. 11(3) BRK in 2002 is volgens haar een door art. 47(1)(b) LGO-Besluit verboden beperking.
rule of reason test. De vraag is dan of inhouding van 8,3% dividendbelasting en overmaking daarvan naar de Antillen
geschiktis om de genoemde doelen te bereiken. Ik meen dat dat het geval is. Uit niets blijkt dat dat niet het geval zou zijn; integendeel: de Antillen en Aruba zijn afgevoerd van de zwarte lijsten van de EU en de OESO en de Nederlandse belastingverdragen waren niet meer in gevaar.
Gebruik maken van belastingcompetitieve maatregelen van lidstaten of hun LGO, ook indien economisch ‘schadelijk’ geacht, is immers geen
misbruik, laat staan volstrekt kunstmatig of economisch irreëel. Het gaat daarbij juist om bedrijfseconomisch volstrekt realistisch (maar macro-economisch wellicht irrationeel) gebruik maken van mogelijkheden die vaak speciaal daartoe geschapen zijn uit beleidsconcurrentie-oogpunt. Bezien vanuit de doelstelling van dergelijke schadelijk-competitieve belastingmaatregelen is van misbruik juist géén sprake: de maatregel beantwoordt immers juist aan zijn doel. Het criterium ‘volstrekt kunstmatig’ is in dit verband als evenredigheidtoets dus ongeschikt, want zinloos, en ook het ontbreken van de mogelijkheid van een tegenbewijs biedt hier geen gezichtspunten, omdat de gerechtvaardigde doelen aanmerkelijk ruimer zijn dan misbruikbestrijding: het gaat om de bestrijding van
wholesale capital movement, van economisch schadelijke fiscale lokkertjes en van belastingparadijselijke regimes. Het gaat dus niet om de subjectieve antifiscale intenties van de belastingplichtige of het ontbreken daarvan, noch om de kunst(on)zinnigheid van diens constructies of het ontbreken daarvan, maar om het objectieve schadelijke c.q. belastingparadijselijke karakter van het desbetreffende LGO-regime, dat dat regime op de zwarte lijsten van de EU
Code of Conduct Groupen van de OESO bracht of zou kunnen brengen.
ruling)beleid op de Antillen en Aruba. Het tarief is daarom verhoogd naar 8,3%, dat bedoeld was om minstens de effectieve druk te bereiken die volgens de regelgeving (exclusief
rulings) ook vóór de BRK-wijziging al had moeten heersen. Gezien de deelnemingsvrijstelling en het verder vrije doorstromen dat daar op de Antillen tegenover staat, valt niet in te zien dat de verhoging naar 8,3% onevenredig zou zijn ter bereiking van de volgens het Hof gerechtvaardigde doelen. Minder dan
overall8,3% zou niet geloofwaardig zijn geweest, gegeven dat het eigenlijk altijd al 10% had moeten zijn.
2.De prejudiciële vragen
Kamerstukken II2000/01, 27 910 (R 1695), nr. 3, blz. 1 e.v.):
Stb.644, is melding gemaakt van ontwikkelingen in de fiscale wetgeving van de Nederlandse Antillen. De regering van de Nederlandse Antillen heeft toen het voornemen geuit te komen tot een ingrijpende wijziging van het Nederlands-Antilliaanse fiscale stelsel in het kader van de totstandkoming van een internationaal aanvaardbare en transparante regelgeving en een daarop afgestemde uitvoeringspraktijk.
lex specialisdie in beginsel voorrang heeft op conflicterende regels van Unierecht, maar moeten ook bepalingen uit het EG-Verdrag die voor het geschil van belang kunnen zijn in overweging worden genomen.
grandfather clause(57 EG-Verdrag) van toepassing is, maar slechts op welke rechtsbronnen het antwoord op die vraag moet worden gebaseerd. Hij concludeerde:
grandfathered, omdat art. 11(3) BRK wezenlijk is veranderd ná 1992:
X. en C-27/12,
TBG), voor recht verklarende:
Eerste vraag
NTFRB2014/29) en Smit (H&I 2014/9.282 meen ik dat het Hof uw – door zijn eerdere
Prunus-arrest [9] uitgelokte – vragen niet heeft beantwoord. Dat betekent dat het Hof ofwel het niet de goede vragen vond ofwel die vragen liever niet beantwoordt.
carve out(in de engelse taalversie wordt die term ook gebruikt) voor anti-
tax-havenmaatregelen en hij beschouwt art. 11(3) BRK – op uw gezag – als een anti-
tax-havenmaatregel. Het Hof plaatst (de belemmerende werking van) art. 11(3) BRK daarom met toepassing van art. 55 LGO Pro-Besluit ‘buiten de werkingssfeer’ van het vrije kapitaalverkeer ex art. 47(1) LGO-Besluit (r.o. 53). Art. 55 lijkt Pro dus een
Keck [10] -achtige uitzondering op het vrije kapitaalverkeer te zijn. In
Keckging het om een
ongeschreven categorische uitzondering voor (potentieel) goederenverkeer-belemmerende nationale verkoopmodaliteiten op voorwaarde dat zij zonder onderscheid op alle producten werden toegepast; in onze zaak gaat het om een geschreven categorische uitzondering voor kapitaalverkeerbelemmerende nationale anti-
tax-havenmaatregelen op voorwaarde dat zij ‘daadwerkelijk en evenredig’ hun doel nastreven.
speciales: de bepalingen over vrij kapitaalverkeer in het EG-Verdrag/het VwEU komen niet aan de orde als het om kapitaalverkeer tussen de Unie en de LGO gaat, dat kennelijk uitsluitend gereguleerd wordt door het LGO-Besluit. [11] Ik meen dat het Hof daarmee terugkomt op zijn eerdere arrest in de zaak C-384/09
Prunus(weliswaar eveneens gewezen door de derde kamer, maar geen enkele van de rechters in
Prunuszat ook over de zaak
X en TBG). In
Prunusmerkte het Hof de LGO voor de toepassing van het kapitaalverkeer immers nog expliciet aan als derde landen [12] in de zin van art. 56 EG Pro/art. 63 VwEU Pro:
Prunusart. 63 VwEU Pro wél van toepassing achtte op het kapitaalverkeer tussen de Unie en de LGO, en dat hij dat thans niet meer gezegd wil hebben en alleen ingaat op art. 47 en Pro 55 LGO-Besluit. Wellicht heeft het Hof in de zaak
X en TBGingezien dat zijn oordeel in
Prunusonverenigbaar is met § 6 van de considerans van het LGO-Besluit, die letterlijk zegt:
Prunuste verklaren? Ik denk als volgt: in
Prunusheeft het Hof de niet-eigen LGO (‘derde’-LGO) van de lidstaten voor de toepassing van het kapitaalverkeer met de Unie aangemerkt als derde landen in de zin van art. 63 VwEU Pro omdat hij – terecht – wil vermijden dat kapitaalverkeer met de LGO slechter af zou zijn dan kapitaalverkeer met (‘echte’) derde landen. In
Prunusmeende hij kennelijk nog dat een vergelijkbare kapitaalverkeervrijmaking als in art. 63 VwEU Pro voorzien voor derde landen niet via art. 47 LGO Pro-Besluit voor de LGO bereikt kon worden, omdat die laatste bepaling nu eenmaal veel beperkender is geformuleerd dan art. 63 VwEU Pro. Gezien de tekst van art. 47 LGO Pro, lijkt mij die conclusie juist. Ook u overwoog – terecht – in een met
X en TBGvergelijkbaar geval (HR BNB 2010/291): [13]
X en TBGalsnog heeft bedacht dat een zelfde resultaat voor de LGO als voor derde landen ook op andere wijze bereikt kan worden dan door de LGO – in strijd met de preambule van het LGO-Besluit – als derde landen in de zin van art. 63 VwEU Pro aan te merken, nl. door het verschil in formulering – en daarmee, naar iedereen dacht, het verschil in reikwijdte – tussen art. 47 LGO Pro-Besluit en art. 56 EG Pro/art.63 VwEU Pro simpelweg te negeren; door beide bepalingen convergerend te interpreteren. In r.o. 48 stelt het Hof immers uit het niets [14] dat art. 47(1) LGO-Besluit “een bijzonder ruime draagwijdte” heeft (“une portée particulièrement large”; “a particularly wide scope”; “eine besonders große Tragweite”), “die nauw aansluit bij de draagwijdte van artikel 56 EG Pro in de verhoudingen tussen de lidstaten en derde landen” (“avoisinant la portée de l’article 56 CE”; “close to the scope of Article 56 EC”; “die der Bedeutung von Art. 56 EG Pro (…) nahekommt”). Dat was tot dan toe niemand opgevallen. En in r.o. 49 stelt het Hof dat art. 47 LGO Pro-Besluit een verbod op beperkingen op dividenduitkeringen bevat “in lijn met” het verbod van art. 63 VwEU Pro (“à l’instar de”; “along the lines of”; “so wie”). Ik leid hier uit af dat het Hof wil bereiken dat beide bepalingen in beginsel dezelfde reikwijdte hebben (de ene voor derde landen; de andere voor de LGO), zodat het – behoudens
carve outszoals art. 55 LGO Pro-Besluit en behoudens wellicht de
grandfather clausevan art. 64 VwEU Pro, die niet in het LGO-Besluit voorkomt – niet meer uitmaakt of de ene of de andere bepaling geldt voor kapitaalverkeer tussen Unie en LGO. Dat scheelt een hoop gedoe en daarmee wordt het terechte bezwaar weggenomen dat ook Jääskinen weer opwierp, nl. dat het kapitaalverkeer met de LGO anders ongunstiger behandeld zou worden dan dat met derde landen.
beroepdoet op de volstrekt afwijkende en limitatief geformuleerde tekst van art. 47 LGO Pro-Besluit (“betalingen in vrij convertibele munt op de lopende rekening van de betalingsbalans”; “investeringen in vennootschappen”; “transacties op de kapitaalrekening van de betalingsbalans”), die juist op aanmerkelijk beperkter bereik wijst [15] dan het onvoorwaardelijk geformuleerde art. 63 VwEU Pro (“… zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde staten verboden”). Als de Raad van de EG in 2001 werkelijk aan art. 47 LGO Pro-Besluit (vrijwel) dezelfde ‘draagwijdte’ had willen geven als die van art. 56 EG Pro, zou hij dan art. 47 LGO Pro-Besluit zo volstrekt anders geformuleerd hebben? Egelie noemt dit onderdeel van het arrest
X en TBGdan ook een ‘bijzonder staaltje van hineininterpretieren’. [16] Maar toegegeven moet worden dat de Unierechtseenheid en het gelijkheidsbeginsel onmiskenbaar zijn gediend met convergerende interpretatie van art. 63 VwEU Pro (in verhouding tot derde landen) en art. 47 LGO Pro-Besluit (in verhouding tot de LGO).
Prunus– een grote kamer voor bijeen te roepen, lijkt het geen nieuwe of grote stap te zijn. Technisch is dat wellicht ook niet zo: bij mijn weten heeft het HvJ EU nooit expliciet geoordeeld dat de reikwijdte van art. 47 LGO Pro-Besluit aanzienlijk beperkter is dan die van art. 56 EG Pro/art. 63 VwEU Pro. En het Hof vermijdt in
X en TBGzorgvuldig om
expliciette zeggen dat art. 63 VwEU Pro niet (meer) van toepassing is op kapitaalverkeer tussen de Unie en de LGO.
5.De reacties van de partijen op het HvJ-arrest
bis(C-24/12) is geen reactie op ’s Hofs arrest ontvangen. In de zaken 11/00453
bisen 11/00454
bis(C-27/12) heeft TBG bij brief van 23 juli 2014 gereageerd. Zij meent dat u niet aan de evenredigheidsvraag toekomt omdat – anders dan het HvJ EU ten onrechte uit uw verwijzingsbeschikking heeft opgemaakt – art. 11(3) BRK niet daadwerkelijk op bestrijding van belastingontwijking is gericht, zodat art. 55 LGO Pro-Besluit toepassing mist. Zij betoogt (p. 8):
carve outex art. 55 LGO Pro-besluit zou vallen, de regeling onaanvaardbaar onevenredig werkt (p. 10):
6.Artt. 47 en 55 LGO-Besluit
Lopende betalingen en kapitaalverkeer
avoidance, évasion, Steuerumgehung, evasione, evasión, evasão) geenszins slechts om ‘ontduiking’. Dat zou ook niets toevoegen naast ‘fraude’. ‘Ontduiking’ in de Nederlandse taalversie is kennelijk een verkeerde vertaling; bedoeld is ‘ontwijking’. [22]
X en TBG-arrest:
X en TBGvolgt mijns inziens dat het ‘strijden tegen de aantrekkingskracht van dat LGO [de Antillen; PJW] als belastingparadijs’ volgens het HvJ EU valt onder de ‘voorkoming van belastingontduiking’ (belastingo
ntwijkingdus) zoals bedoeld in art. 55(2) LGO-besluit.
nietover “de verhoudingen tussen de Unie en de LGO”, maar over de verhoudingen tussen de Unie en derde landen. “Unierechtelijke regels betreffende de verhoudingen tussen de Unie en de LGO” zijn uitsluitend te vinden in het Vierde deel van het EG-Verdrag/het VwEU en in het LGO-Besluit.
7.Artikel 11(3) BRK
Stb.644, is melding gemaakt van ontwikkelingen in de fiscale wetgeving van de Nederlandse Antillen. De regering van de Nederlandse Antillen heeft toen het voornemen geuit te komen tot een ingrijpende wijziging van het Nederlands-Antilliaanse fiscale stelsel in het kader van de totstandkoming van een internationaal aanvaardbare en transparante regelgeving en een daarop afgestemde uitvoeringspraktijk.
soft law)
Code of Conduct for Business Taxation [29] gericht tegen
harmful tax competition,met name tegen nationale belastingmaatregelen van lidstaten die (sub A) ‘may affect, in a siginificant way, the location of business activity in the Community’, of (sub B) ‘provide for a significantly lower effective level of taxation, including zero taxation, than those levels which generally apply in the Member State in question’. Bij de beoordeling of daarvan sprake was, moest rekening gehouden worden met onder meer de vragen:
dependent or associated territoriesom de Code ook daar te doen toepassen.
Primarolo Report [30] aan de Ecofin-Raad uitgebracht, onder meer inhoudende een zwarte lijst van maatregelen van de lidstaten en hun LGO die
rolled backzouden moeten worden. Dat rapport merkte ook een aantal Nederlands-Antilliaanse regelingen aan als schadelijk. Maar ook vóór dat rapport waren de Nederlandse Antillen zich ervan bewust dat hun belastingregime aan internationale kritiek bloot stond, zodat toen al onderhandelingen werden gevoerd met Nederland over verbetering van dat belastingstelsel. Het daaruit voortvloeiende, in de boven geciteerde parlementaire geschiedenis genoemde Nieuw Fiscaal Raamwerk is op 1 januari 2000 in werking getreden. Doel was het belastingstelsel van de Nederlandse Antillen en Aruba zodanig aanpassen dat zij niet meer zouden worden aangemerkt als
tax haven. Het genoemde
Primarolo Reportgaat in op het (toen nog voorgestelde) Nieuw Fiscaal Raamwerk (p. 278):
8.Beschouwing
X en TBGin BNB 2014/187 op dit punt als volgt:
treaty shoppingvia het Antillenlek, dat door EU- en OESO-verdragspartners gezien werd als ofwel verdragsmisbruik, ofwel oneerlijke belastingconcurrentie. Het wegnemen van irritatie en het voorkomen van tegenmaatregelen loopt dus parallel aan de door het HvJ EU in
X en TBGaanvaarde doelstellingen (i) de Antillen van hun imago van belastingparadijs ontdoen, (ii) tegengaan van volgens de EU en de OESO schadelijke belastingconcurrentie, zich uitende in buitensporige kapitaalstromen naar de Antillen, en (iii) strijden tegen de aantrekkingskracht van de Antillen als belastingparadijs, en strookt met het in art. 55(2) genoemde doel van tegengaan van
tax avoidance(ik vermijd de onjuiste Nederlandse vertaling maar).
Streeft art. 11(3) BRK na diens wijziging in 2002 ‘daadwerkelijk’ naar de door het HvJ EU onder art. 55(2) LGO-Besluit aanvaarde doelstellingen?
rule of reason testvan nationale maatregelen die het vrije verkeer binnen de EU belemmeren en ter rechtvaardiging waarvan de betrokken lidstaat zich beroept op ‘dwingende redenen van algemeen belang’, zoals, in belastingzaken, de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid, misbruik-bestrijding of de waarborging van jurisdictionele fiscale coherentie. De vraag is dan of de inhouding van 8,3% dividendbelasting en de overmaking daarvan naar de Antillen (mét controle of aldaar niet toch de effectieve druk lager uitpakt en zo ja, terugvordering door verrekening met volgende afdrachten),
geschiktis om (i) de Antillen van hun imago van belastingparadijs te ontdoen, (ii) volgens de EU en de OESO schadelijke belasting-concurrentie, zich uitende in buitensporige kapitaalstromen naar de Antillen tegen te gaan, en (iii) te strijden tegen de aantrekkingskracht van de Antillen en Aruba als belastingparadijs.
X en TBG- arrest:
Felixstowe, waarin de strijd tegen belastingparadijzen slechts als rechtvaardigingsgrond wordt aanvaard voor maatregelen die specifiek volstrekt kunstmatige constructies bestrijden, [36] lijkt [37] het Hof van Justitie een andere koers te varen.”
X en TBGaanlegt:
Gebruik maken van belastingcompetitieve maatregelen van lidstaten of hun LGO is immers geenszins
misbruik, laat staan volstrekt kunstmatig. Het gaat om – in de ogen van (andere) lidstaten en OESO-landen – economisch schadelijk en onwenselijk gebruik van mogelijkheden die wellicht juist speciaal daartoe geschapen zijn, zodat van misbruik geen sprake kan zijn: vanuit de competitieve belastingmaatregel bezien, wordt hij juist geheel in overeenstemming met zijn doel en strekking gebruikt en toegepast. Het criterium ‘volstrekt kunstmatig’ is in dit verband als evenredigheidtoets dus ongeschikt, want zinloos, en ook het ontbreken van de mogelijkheid van een tegenbewijs biedt geen gezichtspunten, omdat de boven genoemde gerechtvaardigde doelen aanmerkelijk ruimer zijn dan misbruikbestrijding: het gaat om de bestrijding van
wholesale capital movement, van economisch schadelijke fiscale lokkertjes en van belastingparadijselijke regimes. Het gaat dus niet om de subjectieve antifiscale intenties van de belastingplichtige of het ontbreken daarvan, noch om de kunst(on)zinnigheid van diens constructies of het ontbreken daarvan, maar om het objectieve schadelijke c.q. belastingparadijselijke karakter van het desbetreffende LGO-regime, dat dat regime op de zwarte lijsten van de EU
Code of Conduct Groupen van de OESO bracht of zou kunnen brengen.
X en TBGeen nieuwe en ruimere rechtvaardigingsgrond voor fiscale belemmeringen erkent in de verhouding tussen de Unie en de LGO, naast de bekende en enge rechtvaardigingsgronden voor fiscale belemmeringen intra-EU of jegens derde landen (evenwichtige verdeling heffingsbevoegdheid, fiscale systeemcoherentie, misbruikbestrijding, controlebelang), nl. de bestrijding van (de aantrekkelijkheid van) belastingparadijzen en van schadelijke belastingcompetitie leidende tot kapitaalstromen die niet stroken met economische activiteit of meerwaarde. Bestrijding van belastingparadijzen is door het Hof ook – voor het eerst – genoemd buiten LGO-verband, nl. in de zaak
Felixstowe [39] (r.o. 32). In die zaak werd die rechtvaardiging echter niet aanvaard omdat de litigieuze Britse maatregel verder ging dan het verhinderen van “volstrekt kunstmatige constructies (…) die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaliter verschuldigd is over winst uit activiteiten op het nationale grondgebied”. Art. 55 LGO Pro-Besluit is dus wel een bijzondere
specialisvoor de verhouding tussen de Unie en de LGO, die geen parallel lijkt te hebben in intra-EU-verhoudingen, noch in de verhouding tussen de Unie en derde landen. Dat lijkt te impliceren dat de LGO op dit punt toch ongunstiger worden behandeld dan derde landen, maar duidelijk is dat niet, nu het Hof in Felixtowe de bestrijding van belastingparadijzen slechts in abstracto erkende als rechtvaardigingsgrond en het in
Felixstoweging om de vestigingsvrijheid en de litigieuze
link companyin Luxemburg was gevestigd, dus in de EU en niet in een derde land, terwijl .
overallen effectief 8,3% zou niet geloofwaardig zijn geweest, gegeven dat het eigenlijk altijd al effectief 10% had moeten zijn.