Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Wettelijk kader
- Hof Arnhem 31 augustus 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BN5884, JAR 2010/248;
- Hof ’s-Hertogenbosch 29 mei 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW7262, JAR 2012/171;
- Hof Amsterdam 18 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY9449 (tevens BZ0127), JAR 2013/30 m.nt. A. Stege;
- Hof Arnhem-Leeuwarden 5 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8306;
- Hof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5666.
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
Middel 1bestrijdt evenwel dat SNCU een controlebevoegdheid zou hebben ten opzichte van een werkgever die niet vrijwillig bij de c.a.o. is aangesloten. Het betoog van Tido Vesta mondt uit in een reeks klachten in de cassatiedagvaarding onder 13 - 19.
klacht onder 15 en 16houdt in dat het hof ten onrechte overweegt dat SNCU op grond van delegatie of volmacht de bevoegdheden van de c.a.o.-partijen uitoefent. De bevoegdheid van SNCU om controle uit te oefenen dient te zijn neergelegd in de desbetreffende c.a.o. en het daarop betrekking hebbende a.v.v.-besluit. Vermelding van die bevoegdheid in (het a.v.v.-besluit dat betrekking heeft op) een andere c.a.o. is volgens de klacht niet voldoende.
rechtsklacht onder 13houdt in dat het hof heeft miskend dat (het systeem van) de Wet a.v.v. zich ertegen verzet dat c.a.o.-partijen een privaatrechtelijke organisatie opzetten om de naleving van de c.a.o. te controleren en ter zake maatregelen te nemen ten opzichte van werkgevers wier gebondenheid uitsluitend berust op een algemeen verbindendverklaring van de c.a.o. en de daarbij behorende bijlagen. In de cassatiedagvaarding onder 20 licht Tido Vesta toe, dat deze klacht evenzeer is gericht tegen een eventueel zelfstandig optreden van een c.a.o.-partij. De hiermee samenhangende
rechtsklacht onder 14, gericht tegen de overweging van het hof dat het standpunt van Tido Vesta moeilijk te rijmen is met het feit dat de artikelen 45 en 46 van de CAO voor Uitzendkrachten 2004-2009 en de statuten van SNCU en de beide reglementen (waarop het optreden van SNCU is gebaseerd) verbindend zijn verklaard, is toegelicht met het argument dat het a.v.v.-besluit van 13 september 2005 in het dictum onder III een voorbehoud bevat en met het argument dat een wet in formele zin (de Wet a.v.v.) steeds prevaleert boven een regeling van lagere rang (te weten het a.v.v.-besluit van 13 september 2005). Subsidiair wordt in de cassatiedagvaarding
onder 19geklaagd over onbegrijpelijkheid van dit oordeel van het hof, beschouwd in het licht van de desbetreffende stellingen van Tido Vesta [33] . Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
klacht onder 57 - 58in de cassatiedagvaarding, toegelicht in par. 69. Deze rechtsklacht houdt in dat − voor zover de bevoegdheid van SNCU ten opzichte van Tido Vesta is gebaseerd op algemeen verbindend verklaarde c.a.o.-bepalingen en de daarin neergelegde volmacht van de c.a.o.-partijen aan SNCU − het hof heeft miskend dat deze bevoegdheid ophoudt te bestaan zodra de geldigheidsduur van het a.v.v.-besluit is verstreken. Subsidiair, in de cassatiedagvaarding
onder 59 en 60, klaagt Tido Vesta over onbegrijpelijkheid of onvoldoende motivering van de bestreden beslissing. Tido Vesta heeft in dit verband voorbeelden genoemd van overheidsfunctionarissen die vanaf de dag waarop hun aanstelling is geëindigd niet langer bevoegd zijn tot het verrichten van de ambtshandelingen waartoe zij tijdens de looptijd van hun aanstelling bevoegd waren.
omvangvan de verplichting (de werkgever behoeft alleen gegevens te verstrekken over de periode waarvoor de c.a.o.-bepalingen verbindend waren verklaard).
rechtsklacht onder 75 en 76in de cassatiedagvaarding houdt in dat het hof heeft miskend dat, behoudens toestemming van de betrokken persoon, persoonsgegevens uitsluitend mogen worden verwerkt voor het doel waarvoor zij zijn verkregen. Volgens Tido Vesta mogen persoonsgegevens niet aan SNCU (noch aan een vereniging van werkgevers of werknemers) worden verstrekt teneinde deze gegevens te gebruiken om tegen Tido Vesta een vordering als de onderhavige in te stellen. Indien het hof deze rechtsnorm niet heeft miskend, is volgens de subsidiaire
klacht onder 79onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe deze regel is toegepast.
ongeacht of zulks strekt tot vergoeding van schade of enkel tot aansporing om tot nakoming over te gaan(art. 6:91 BW Pro) [49] . Een schuldeiser kan niet tegelijkertijd nakoming van de contractuele verplichting en een vervangende schadevergoeding wegens niet-nakoming van diezelfde verplichting verlangen. Zo ook kan een schuldeiser geen nakoming vorderen zowel van het boetebeding als van de verbintenis waaraan het boetebeding verbonden is (art. 6:92 lid 1 BW Pro). Hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is treedt in de plaats van de schadevergoeding (art. 6:92 lid 2 BW Pro). Op verlangen van de schuldeiser kan de rechter, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, naast een bedongen boete die bestemd is in de plaats te treden van de schadevergoeding op grond van de wet, een
aanvullendeschadevergoeding toekennen (art. 6:94 lid 2 BW Pro). Het hof heeft zich rekenschap gegeven van dit onderscheid (zie rov. 21). Op grond van art. 6:94 lid 1 BW Pro kan de rechter een bedongen boete matigen.
forfaitairvast te stellen; van die mogelijkheid heeft het bestuur gebruik gemaakt. De vraag is nu, hoe deze bevoegdheid moet worden gekwalificeerd. Een boetebeding moet worden onderscheiden van een vaststellingsovereenkomst (art. 7:900 BW Pro). Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken. De vaststelling kan ook tot stand komen krachtens een aan één van hen opgedragen beslissing. Deze beslissing kan op de voet van art. 7:904 BW Pro door de rechter worden vernietigd, zo daartoe gronden zijn. Dat in de CAO voor Uitzendkrachten 2004-2009 sprake zou zijn van een vaststellingsovereenkomst is in dit geding niet gesteld.
bestemmingvan de door SNCU geïncasseerde schadevergoedingen. Het hof heeft mogen beslissen dat deze bepaling geen beperking stelt aan de aard van de schade waarvoor de werkgevers- en werknemersorganisaties vergoeding kunnen vorderen van een werkgever die een verbindend verklaarde c.a.o.-bepaling niet heeft nageleefd. In zoverre mist middel 4 feitelijke grondslag.