Conclusie
middelkeert zich tegen het oordeel van het hof dat aan de overschrijding van de redelijke termijn geen rechtsgevolg wordt verbonden.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak werd aan betrokkene door het Gerechtshof Amsterdam een betalingsverplichting van €86.100 opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn geen rechtsgevolg mocht hebben.
De Hoge Raad constateerde dat de ontnemingsvordering dateerde van 10 november 2005 en dat het hof pas op 9 september 2013 arrest wees, wat een overschrijding van ruim zes jaar inhoudt. Hoewel het hof erkende dat sprake was van een aanzienlijke overschrijding, vond het dat dit niet leidde tot matiging van de betalingsverplichting, maar slechts tot een constatering daarvan. Dit oordeel werd door de Hoge Raad als een onjuiste rechtsopvatting aangemerkt.
De Hoge Raad benadrukte dat de ontnemingsmaatregel, hoewel een maatregel en geen straf, toch een 'penalty' in de zin van het EVRM inhoudt en dat overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken in de regel wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betreft en matigde deze met €5.000, conform de gebruikelijke maatstaf bij overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting met €5.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.