Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof een namens de verdachte gedaan (voorwaardelijk) verzoek tot het oproepen van [betrokkene 1] als getuige heeft afgewezen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
tweede middelbevat de klacht dat de bewijsmiddelen niet redengevend kunnen zijn voor het bewezen verklaarde, in het bijzonder ten aanzien van het oordeel van het hof dat de verdachte de gebruiker is van het telefoonnummer 06-[001].
derde middelbehelst de klacht dat uit de bewijsvoering in zaak A niet kan worden afgeleid dat de verdachte zodanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten dat hij kan worden aangemerkt als iemand die ‘tezamen en in vereniging’ zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal.
.Het hof heeft de verdachte als één van de daders van de overval aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de overval feitelijk wordt uitgevoerd door vier mannen (o.a. bewijsmiddel 3). Kennelijk heeft het hof aangenomen dat de verdachte één van hen is geweest. Dat oordeel acht ik, gelet op het navolgende, niet onbegrijpelijk. Op de steel van een bij de verval gebruikte hamer is celmateriaal aangetroffen dat – met een berekende frequentie van minder dan één op één miljard – afkomstig kan zijn van de medeverdachte [medeverdachte 3]. Dergelijk rechtstreeks bewijsmateriaal afkomstig van de plaats delict is ten aanzien van de verdachte niet voorhanden. Het enige rechtstreekse aanknopingspunt dat ziet op het tijdstip van de overval is de vaststelling van het hof dat de telefoon van de verdachte op dat moment uit stond, evenals die van [medeverdachte 3] en van [medeverdachte 2], de eigenaar/bezitter van de bij de overval gebruikte scooter. Op zichzelf zegt dit gegeven over de betrokkenheid van de verdachte bij de overval, zeker in vergelijking met de uitkomst van het DNA-onderzoek ten aanzien van [medeverdachte 3], nog niet veel. Het hof heeft de bewijsvoering ten aanzien van de rol van de verdachte bij de overval evenwel daarnaast gemotiveerd aan de hand van bewijsmateriaal dat ziet op de periode voorafgaand en na de overval. Zo heeft het hof vastgesteld dat de verdachte vijf dagen voorafgaand aan de overval in de omgeving van juwelier [A] is geweest en dat hij toen telefonisch contact heeft gehad met de persoon wiens scooter bij de overval is gebruikt en die toen zelf nabij de juwelierszaak was. Het hof heeft hieruit kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte betrokken is geweest bij een voorverkenning. In de nacht voor de overval was de verdachte volgens het hof wederom in Haarlem. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de verdachte twee dagen na de overval de beschikking had over (een deel van) de buit, met een dader van de overval sprak over de verdeling van de buit en telefonisch contact heeft gehad met de juwelierszaak van de medeverdachte [medeverdachte 1]. Het hof heeft overwogen dat de verdachte substantieel deelt in de opbrengst van de overval. Uit bewijsmiddel 15 kan worden afgeleid dat de buit van de overval gelijkelijk wordt verdeeld tussen vier personen (€ 56.000/4 = € 14.000) en dat ieder van hen € 1.000 afstaat aan degenen die een ondersteunende rol hebben gespeeld. [9] Zoals in het voorafgaande is opgemerkt, kan het feit dat de buit in gelijke delen onder de verdachten is verdeeld, een aanwijzing opleveren dat de verdachte een substantieel aandeel in de totstandkoming van het feit heeft gehad. In feite wordt daarmee door de dadergroep zelf het aandeel van de individuele deelnemers gewaardeerd. Daarbij kon het hof gewicht toekennen aan de omstandigheid dat de verdachte bij deze verdeling ongeveer een kwart van de opbrengst kreeg, terwijl bij de overval vier mannen zijn gesignaleerd, onder wie [medeverdachte 3], die aan de hand van DNA-onderzoek is aangemerkt als één van de daders die in de juwelierszaak binnen zijn geweest. Het hof heeft ten slotte geoordeeld dat de verdachte heeft nagelaten voor enige van de, in onderlinge samenhang bezien, uiterst belastende omstandigheden een ontzenuwende verklaring te geven. Gelet op de vaststellingen van het hof, in onderlinge samenhang bezien, acht ik zijn in de overwegingen besloten liggende oordeel dat de verdachte zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt met de mededaders dat hij als medepleger kan worden aangemerkt niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
vierde middelbehelst de klacht dat de bewijsmiddelen onvoldoende redengevend zijn voor het ten laste van de verdachte onder B bewezen verklaarde.