Conclusie
1.Feiten en procesverloop
grief 1wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat bij de berekening van de behoefte van de kinderen moet worden uitgegaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 70.000,- per jaar en derhalve van een totale behoefte van € 1.470,- per jaar.
2.Bespreking van het cassatieberoep
middelen I en IIzijn gericht tegen enkele passages in rov. 4.3 van de bestreden beschikking, die hierna door mij gecursiveerd worden aangehaald. Nu in de daaraan voorafgaande rechtsoverweging de standpunten van partijen door het hof zijn samengevat, wordt ook deze overweging weergegeven:
Behoefte
De vrouw heeft, tegenover voormelde stellingen van de man, haar stelling dat zij gedurende de samenleving van partijen steeds inkomsten heeft gehad onvoldoende onderbouwd, hetgeen op haar weg lag. Voor zover de vrouw in eerste aanleg heeft gesteld dat zij in 2009 in totaal € 5.448,- aan netto inkomsten heeft ontvangen, overweegt het hof dat de vrouw blijkens de door haar in het geding gebrachte aanslag Inkomstenbelasting en Premie volksverzekeringen over 2009 in dat jaar geen inkomsten heeft gehad.Voorts blijkt uit de door haar in het geding gebrachte aanslag Inkomstenbelasting en Premie volksverzekeringen over 2010 niet dat zij in dat jaar meer inkomen heeft gehad dan het hiervoor onder 2.3 [13] vermelde fiscaal loon over het tijdvak van 1 augustus 2010 tot en met 31 december 2010.
De inkomsten van de vrouw tot november 2008 acht het hof te ver verwijderd van het tijdstip van uiteengaan van partijen om medebepalend te kunnen zijn voor de behoefte van de kinderen. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de periode voorafgaand aan de beëindiging van de samenleving, waarin de vrouw geen inkomsten had, niet slechts van korte duur is geweest.
De vrouw heeft, tegenover voormelde stellingen van de man, haar stelling dat zij gedurende de samenleving van partijen steeds inkomsten heeft gehad onvoldoende onderbouwd, hetgeen op haar weg lag. Voor zover de vrouw in eerste aanleg heeft gesteld dat zij in 2009 in totaal € 5.448,- aan netto inkomsten heeft ontvangen, overweegt het hof dat de vrouw blijkens de door haar in het geding gebrachte aanslag Inkomstenbelasting en Premie volksverzekeringen over 2009 in dat jaar geen inkomsten heeft gehad”.
grief 1). Volgens de man is onjuist de vaststelling van de rechtbank dat de vrouw altijd inkomsten heeft gehad: toen partijen in september 2010 uit elkaar gingen had de vrouw al bijna twee jaar geen inkomen en leefden partijen van het inkomen van de man. De vrouw heeft pas haar eerste salaris ontvangen na hun uiteengaan. Volgens de man moet de totale behoefte van de kinderen op basis van zijn netto-inkomen van € 2.465,- per maand op € 660,- per maand worden gesteld. Ter verduidelijking van zijn betoog heeft de man een overzicht van de geschiedenis van het inkomen van partijen van 2005-2011, voorzien van een toelichting, in het geding gebracht (bijlage 2 [19] ).
(a)dat de inkomsten van de vrouw tot november 2008 te ver verwijderd zijn van het tijdstip van uiteengaan van partijen om medebepalend te kunnen zijn voor de behoefte van de kinderen, waarbij mede in aanmerking wordt genomen dat de periode voorafgaand aan de beëindiging van de samenleving, waarin de vrouw geen inkomsten had, niet slechts van korte duur is geweest, en
(b)dat voor zover de vrouw stelt dat partijen eerst in september 2010 feitelijk uiteen zijn gegaan en zij gedurende de laatste maand van haar samenleving met de man inkomsten had, die stelling het voorgaande niet anders maakt, nu het uiteindelijk gaat om hetgeen voorafgaand aan de beëindiging van de samenleving van partijen normaliter aan de kinderen werd uitgegeven en daarvoor is vereist dat het inkomen bij het verbreken van de samenleving al een min of meer bestendig karakter had. Voorts is het middel gericht tegen het daarop voortbouwende oordeel van het hof
(c)dat bij de bepaling van het netto gezinsinkomen wordt uitgegaan van het fiscaal loon van de man in 2010.
onderdeel 3.1) Volgens de vrouw zijn er, zoals door haar in feitelijke instantie zou zijn aangevoerd, in casu redenen om, anders dan conform de blijkens vaste jurisprudentie geldende maatstaf, niet uit te gaan van het inkomen gedurende het jaar voorafgaand aan de verbreking, maar verder terug te kijken in de relatie (
onderdelen 3.3-3.4). Nu zij altijd inkomen heeft gegenereerd, er vervolgens gedurende een periode van 1,5 jaar sprake is geweest van een (tijdelijke) terugval en het inkomen van de vrouw hersteld is in augustus 2010 – welk herstel samenvalt met de verbreking van de relatie – dient de behoefte van de kinderen te worden doorgetrokken (
onderdeel 3.8). Tegen de achtergrond van de uitgangspunten van het Trema-rapport [21] ziet de vrouw niet in waarom de behoefte van de kinderen (wel) zou verminderen als het inkomen vóór het uiteengaan wegvalt, maar zich op het moment van de verbreking van de samenleving herstelt; als partijen samen waren gebleven zouden de kinderen van dit herstelde gezinsinkomen hebben geprofiteerd. Door dit herstel is er geen sprake van een rechtens relevante inkomenswijziging, aldus de vrouw (
onderdelen. 3.5-3.7 en 3.9). Daarnaast is het volgens het middel een feit van algemene bekendheid dat een tijdelijke daling van het inkomen niet direct de uitgaven/de behoefte van de kinderen raakt (
onderdeel 3.10). Vanwege de specifieke feiten en omstandigheden van het geval kan er volgens het middel – ondanks dat er sprake is geweest van een tijdelijke terugval gedurende anderhalf jaar – niet worden gezegd dat er geen sprake is geweest van een bestendige inkomenssituatie (
onderdeel 3.11). Door uitsluitend terug te kijken naar het jaar voorafgaand aan de verbreking van de samenleving handelt het hof in strijd met zijn eigen uitgangspunt dat het gaat om hetgeen voorafgaand aan de verbreking van de relatie normaliter aan de kinderen werd uitgegeven, hetgeen zijn oordeel innerlijk tegenstrijdig en daarmee onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd doet zijn (
onderdeel 3.12). Ook klaagt het middel dat de door het hof gehanteerde maatstaf leidt tot een onaanvaardbare uitkomst – de vrouw is niet in staat de onverminderd hoge reële kosten van de kinderen te voldoen – en mitsdien in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 jo Pro 3:12 BW) (
onderdeel 3.13). De slotsom is dat de beslissing van het hof aangaande de vaststelling van het netto gezinsinkomen onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is (
onderdeel 3.14).
(c)die daarop voortbouwt.