“B.1.
De verdediging heeft voorts vrijspraak bepleit op de volgende gronden.
De verdediging heeft aangevoerd dat de Engelse term "Cop" niet zonder meer betrekking heeft op Nederlandse politieagenten en voorts dat de Engelse term "Bastard" niet zonder meer beledigend is. Evenmin levert het dragen van een jack met opdruk niet zonder meer een feitelijkheid op. Bij belediging in tegenwoordigheid van een ander, zoals primair is ten laste gelegd, moet er een gedraging of een gebaar bijkomen waarmee de tekst een gerichtheid tot die ander krijgt. Dat de hoofdagent de verdachte met diens jack aan op enig moment in het vizier krijgt, is daarvoor onvoldoende.
B.2.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De vraag die moet worden beantwoord, is of de letters "A.C.A.B." in de betekenis die er volgens verdachte aan moest worden gegeven, beledigend waren, met andere woorden de strekking hadden een ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Wat de gangbare, algemeen bekende betekenis van de gedane uitlating is, is dus niet beslissend voor de vraag welke betekenis die uitlating in concreto heeft. Volgens verdachte stonden deze letters voor "All Cops Are Bastards".
Naar het oordeel van het hof heeft de lettercombinatie "A.C.A.B." in de betekenis van "All Cops Are Bastards" naar haar aard de strekking om de politie, wereldwijd, dus daar vallen ook individuele Nederlandse politiefunctionarissen onder, in diskrediet te brengen. De genoemde woordcombinatie drukt minachting uit voor elke politiefunctionaris als zodanig. In het openbaar gebezigd, randt zij politiefunctionarissen aan in hun eer en goede naam en kan zij afbreuk doen aan hun gezag.
Verdachte wist dat politieambtenaren zich door deze uitdrukking beledigd konden voelen. Hij was immers, zo blijkt uit bewijsmiddel 5, de voorafgaande week gewaarschuwd door politieambtenaren voor het beledigende karakter. Desondanks is hij het jack met opschrift in het openbaar blijven dragen. Het opzet van de verdachte op het beledigende karakter is hiermee komen vast te staan. Daaraan doet niet af dat de verdachte naar zijn zeggen niet de bedoeling had om de politie te beledigen.
Voorts is naar het oordeel van het hof de belediging in de vorm van het dragen van de bomberjack met opschrift "A.C.A.B." door de verdachte aan verbalisant [verbalisant] in diens tegenwoordigheid door een feitelijkheid aangedaan.
Immers de verdachte droeg deze jas op een uitgaansavond (vrijdagavond) in het centrum van Goes. De kans dat de verdachte daar en toen politieagenten zou tegenkomen die bezig waren met het uitoefenen van hun functie (zoals het surveilleren in het kader van de handhaving van de openbare orde in het uitgaanscentrum) was naar ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Dat is een feit van algemene bekendheid, waar de verdachte derhalve ook bekend mee moet zijn geweest. Desondanks heeft de verdachte zich met de jas waarop voor een ieder zichtbaar de afkorting "A.C.A.B." in het openbaar met een groep jongeren op vrijdagavond in het centrum van Goes begeven, wetende dat politieagenten zich door die afkorting beledigd kunnen voelen. Daarmee heeft de verdachte voornoemde aanmerkelijke kans welbewust aanvaard en is naar het oordeel van het hof de opzet van verdachte (in voorwaardelijke zin) op belediging van de agenten die hem zouden tegenkomen, in casu hoofdagent [verbalisant], gegeven. [verbalisant] zag de verdachte in de jas met voormeld opschrift, ging van dezelfde betekenis van dat opschrift uit als de verdachte, en voelde zich daardoor in zijn eer en goede naam aangetast.
Wat er ook zij van de door de raadsman gestelde vrijheid van keuze van te dragen kleding, deze vrijheid vindt in ieder geval haar beperking indien de strafwet daarmee wordt overtreden, in casu indien de op die kleding gedragen teksten beledigend van aard zijn.
Naar het oordeel van het hof is op grond van het vorenstaande komen vast te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belediging zoals bewezen verklaard.
De verweren worden mitsdien verworpen.”