ECLI:NL:PHR:2013:CA3786
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijsvereiste voor het bestaan van een vennootschap onder firma en de toepassing van artikel 22 Wetboek van Koophandel
In deze zaak vorderen eisers dat verweerders worden bevolen een broodbakkerij als vennootschap onder firma (v.o.f.) in te schrijven bij de Kamer van Koophandel en erkennen wanprestatie wegens het niet naleven van deze overeenkomst. Eisers stellen dat zij een mondelinge overeenkomst tot oprichting van een v.o.f. hebben gesloten, maar verweerders betwisten het bestaan hiervan.
De rechtbank wijst de vorderingen af omdat geen akte is overgelegd die het bestaan van de v.o.f. bewijst, zoals vereist door art. 22 WvK Pro. Het hof bevestigt dit oordeel en passeert het bewijsaanbod van getuigen als irrelevant, omdat het bewijs van het bestaan van een v.o.f. dwingend schriftelijk moet zijn.
In cassatie betogen eisers dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod heeft gepasseerd en dat het bewijsvoorschrift van art. 22 WvK Pro niet strikt toegepast moet worden. De Hoge Raad oordeelt dat het bewijsvoorschrift een dwingend bewijsvereiste is en bevestigt dat het ontbreken van een akte het aannemen van een v.o.f. in interne verhoudingen belemmert. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het bewijs van het bestaan van een vennootschap onder firma uitsluitend door een akte kan worden geleverd.