ECLI:NL:PHR:2013:BZ8248
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot onderzoek aan kleding versus lichaam bij opsporing verdovende middelen
In deze zaak stond centraal of het laten zakken van de onderbroek door verdachte tijdens een fouillering als onderzoek aan de kleding of aan het lichaam moet worden aangemerkt. De verdediging stelde dat dit onderzoek onrechtmatig was omdat het volgens haar een onderzoek aan het lichaam betrof dat niet door een hulpofficier van justitie was bevolen.
Het hof had geoordeeld dat het onderzoek aan de kleding viel onder de bevoegdheid van opsporingsambtenaren op grond van art. 9, tweede lid, Opiumwet en dat het laten zakken van de onderbroek noodzakelijk was voor een grondig onderzoek aan de kleding. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het onderzoek aan de kleding ook het (tegen de wil van verdachte) doen afgeven van kleding kan omvatten.
De Hoge Raad benadrukte dat het onderscheid tussen onderzoek aan de kleding en aan het lichaam wordt bepaald door het object en de wijze van onderzoek. Het laten zakken van de onderbroek en het daarbij ontstaan van een volledig visueel beeld van het naakte lichaam betekent niet automatisch dat sprake is van onderzoek aan het lichaam. Dit oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk.
Daarnaast werd een middel verworpen dat betoogde dat een deel van de aangetroffen cocaïne onvoldoende was bewezen omdat alleen een ODV-test was gedaan. De Hoge Raad vond dat het bewijs, mede gezien andere omstandigheden en rapporten, toereikend was.
Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het laten zakken van de onderbroek valt onder onderzoek aan de kleding en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.