Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Inleiding
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1
uitlegvan genoemd art. 12, wat vervolgens enigszins wordt veralgemeniseerd in dier voege dat het Hof spreekt van “verzekeringszaken” (rov. 10).
in staat was tot het instellen van een vordering, mist het bovendien feitelijke grondslag. Het Hof heeft in rov. 12 immers geoordeeld dat de term ‘opeisbaarheid’ in art. 12 van Pro de Verzekeringsvoorwaarden aldus moet worden uitgelegd en toegepast dat de vordering in het onderhavige geval opeisbaar is “als de schade bij de verzekerde bekend is (en de verzekerde in staat is te dier zake een vordering in te stellen)” en dat daarvan sprake was op het moment dat de scheurvorming bij de generatoren aan E.on bekend werd (in juni 2002 en in maart 2004).
2002de schade aan de rotoren via haar tussenpersoon Aon gemeld heeft aan Verzekeraars (zie rov. 2).
vervaltermijn.
in algemene zinvan de term ‘opeisbaarheid’ in de polisvoorwaarden, maar met name (ook) op de vraag
op welk concreet momentde vordering van E.ON opeisbaar werd doordat E.ON (voldoende) bekend was met de mogelijkheid dat sprake was van een gedekte schade onder de polis.”
nietaankomt op – naar ik begrijp – de interpretatie van art. 3:310 lid 1 BW Pro (zie bijvoorbeeld mvg onder 6.4). Nu het onderdeel evenwel geheel is gestoeld op de – op zich niet bestreden – gedachte dat het Hof zijn oordeel grondt op de rechtspraak met betrekking tot art. 3:310 lid 1 BW Pro, is de klacht niet begrijpelijk.
door het onderdeelgepropageerde uitleg van het bewijsaanbod ook minder voor de hand lijkt te liggen. Het aanbod heeft in die lezing namelijk betrekking op een feitelijke kwestie die in de betreffende passage uit de memorie van grieven nauwelijks aan de orde komt, terwijl het bewijsaanbod bij die lezing ook nog eens onvoldoende gespecificeerd lijkt te zijn. Bovendien wordt in het geheel niet aangegeven wat de genoemde personen voor nuttigs zouden kunnen verklaren over de vraag op welk “concreet moment” E.on daadwerkelijk een vordering zou kunnen instellen of waarom het nuttig zou kunnen zijn om hen over het thema waarop het bewijsaanbod volgens het onderdeel zag te horen. Zonder nadere toelichting valt dat ook niet in te zien..
gerechtvaardigdvertrouwen van E.on dat Verzekeraars geen beroep op het vervalbeding zouden doen. In elk geval wordt onvoldoende uit de doeken gedaan waarom desondanks toch sprake zou kunnen zijn van gerechtvaardigd vertrouwen. Veeleer onderstrepen de stellingen van E.on dat haar standpunt niet erg overtuigend is. Volgens omstandigheid ii zouden Verzekeraars in 2007 en 2008 uitdrukkelijk dekking hebben geweigerd en is daarna doorgepraat en is ook overigens nog een en ander voorgevallen (omstandigheden iii-v). Het getuigt in mijn ogen van weinig realiteitszin om uit het niet afbreken van gesprekken af te leiden dat
onaanvaardbaarzou zijn dat Verzekeraars de, ook in de visie van E.on
uitdrukkelijk gegeven afwijzing, [8] zouden handhaven. E.on was een grote onderneming en werd bijgestaan door één van de grootste assurantietussenpersonen. In zo’n setting praat men nog enige tijd door als de andere partij zich niet neerlegt bij een nadrukkelijk geformuleerd standpunt. Maar dat betekent natuurlijk niet dat het handhaven van een standpunt onaanvaardbaar is.
voor het eerst(mondeling) dekking hebben geweigerd.
voor het eerst(mondeling) dekking hebben geweigerd. In de passages uit de dagvaarding wordt slechts gesteld dat Verzekeraars op de genoemde datum voor het eerst (mondeling)
gemotiveerd uiteen hebben gezetdat er geen dekking zou zijn. In de passage uit de memorie van grieven wordt enkel vermeld dat Verzekeraars in de bespreking van 2 april 2007 mondeling hebben laten weten dat de schade niet het gevolg was van een ‘onvoorzien voorval’ en dat er daarom geen dekking bestond onder de polis. Uit de in het onderdeel opgenomen verwijzingen naar de gedingstukken uit eerdere instanties valt dus niet op te maken dat E.on zou hebben uitgedragen dat Verzekeraars
voor het eerst in 2007hebben aangegeven dat er geen dekking zou zijn. Derhalve is het onderdeel gespeend van een deugdelijk feitelijk fundament.
Verzekeraarsonweersproken hebben aangevoerd dat al in 2002 is aangegeven dat geen dekking zou worden verleend. Het is juist dat zij dat hebben aangevoerd (mva onder 80). Daaraan doet niet af dat, zoals de repliek in cassatie van E.on onder 13 aanvoert, zulks eerst is gebeurd bij mva nu nadie nog pleidooien hebben plaatsgevonden. Het Hof heeft allicht bij gebreke van ontkenning door E.on bij pleidooi in appel aangenomen dat E.on niet wilde weerspreken dat in het betrokken – volgens de mva onder 80 door E.on zelf in geding gebrachte – bezoekverslag was te lezen dat Verzekeraars E.on al in 2002 hadden verwittigd van het niet verlenen van dekking.
op verzoek vanE.on. In de passages wordt slechts betoogd dat de (formele) “opdracht” aan [betrokkene 1] verstrekt werd door Verzekeraars. Dat betoog gaat voorbij aan ’s Hofs oordeel. Daarin komt het aan op de omstandigheid dat E.on heeft
verzochtom de onderzoeken. Dat Verzekeraars de
opdrachthebben gegeven tot het doen van de vervolgonderzoeken, is door Verzekeraars overigens – zoals zij in hun schriftelijke toelichting (op p. 37 onder 14.4) ook opmerken – uitdrukkelijk erkend. Verzekeraars hebben in hun memorie van antwoord uitvoerig toegelicht dat de opdracht tot het onderzoek weliswaar door hen gegeven is, maar dat een en ander plaatsvond op verzoek van E.on (zie onder meer par. 68 - 69 en 80). Dat de vervolgonderzoeken plaatsvonden op verzoek van E.on, heeft E.on vervolgens bij gelegenheid van pleidooi in hoger beroep ook niet weersproken (zie rov. 8).
juisteverwijzingen.
voldoende nadrukkelijkzouden hebben gedaan, in die zin dat zij erop hebben gewezen dat de vervaltermijn zal worden ingeroepen. Die klacht mislukt al aanstonds omdat niet wordt aangegeven waar E.on een dergelijke stelling in feitelijke aanleg zou hebben geventileerd. Voor zover het onderdeel zijn heil zoekt bij de mvg onder 8.5, is een dergelijke stelling daarin niet voldoende helder betrokken, [15] nog daargelaten dat het daar gaat om rechtsverwerking. Zeker nu beoordeling van de hier besproken klacht een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, is zij m.i. ten dode opgeschreven.
resterendeperiode na ommekomst van de uitdrukkelijke schriftelijke afwijzing gaat het om een novum, zoals Verzekeraars ook aanvoeren (s.t. onder 16.10); in elk geval doet het onderdeel geen beroep op een vindplaats waarin E.on aandacht voor deze kwestie zou hebben gevraagd. Voor zover nodig valt hierbij nog te bedenken dat deze omstandigheid ten dele is veroorzaakt door E.on; zie hiervoor onder 3.3.
het Hofin rov. 14 niet (mede) teruggrijpt op rov. 8. Bovendien – het is een zelfstandig dragende grond – werden de onderdelen 2b en 2c hiervoor ongegrond bevonden.
het Hofhet daar gegeven oordeel niet mede gebaseerd op het oordeel dat E.on de bedoelde stelling tardief zou hebben aangevoerd. Bovendien is niet juist dat in de mvg onder 7.12 zou zijn te lezen wat noot 29 van de cassatiedagvaarding daaraan toeschrijft.