ECLI:NL:PHR:2011:BP1402
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing en beperking van verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden bij korte huwelijksduur
De vrouw en de man zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen, inclusief een verrekenbeding dat bij ontbinding van het huwelijk een betaling van €300.000 aan de vrouw voorschrijft, vermeerderd met inflatiecorrectie. Na een korte huwelijksduur verzocht de vrouw dit bedrag te ontvangen. De man voerde aan dat het beding niet bedoeld was voor deze situatie en dat onverkorte toepassing onredelijk zou zijn.
De rechtbank wees het beroep op redelijkheid en billijkheid af en veroordeelde de man tot betaling van het volledige bedrag. Het hof oordeelde echter dat het beding weliswaar van toepassing was, maar dat de uitkomst onaanvaardbaar was gelet op de korte huwelijksduur, het ontbreken van vermogensopbouw bij de man, het ontbreken van financieel nadeel voor de vrouw en haar eigen voorziening in huisvesting. Het hof beperkte daarom het bedrag tot €100.000.
In cassatie werd onder meer geklaagd over het procesreglement en de motivering van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht van het procesreglement mocht afwijken en dat een motiveringsplicht voor dergelijke procedurele beslissingen niet geldt. Verder bevestigde de Hoge Raad dat het hof terecht ook niet door partijen expliciet aangevoerde feiten mocht betrekken die relevant zijn voor de redelijkheid en billijkheid, mits deze binnen de grenzen van de rechtsstrijd vallen. Het beroep op redelijkheid en billijkheid werd daarmee bevestigd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het beroep op het verrekenbeding beperkt kan worden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, vooral bij omstandigheden zoals een korte huwelijksduur en het ontbreken van vermogensopbouw.
Uitkomst: Het beroep op het verrekenbeding wordt beperkt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, waarbij de man €100.000 aan de vrouw moet voldoen.