Conclusie
[verdachte]
middelklaagt over de bewezenverklaringen van de feiten onder 1, 2, 3, 4 en 5, omdat het Hof deze ten aanzien van telkens het bestanddeel ‘in het openbaar’ als bedoeld in art. 137c Sr onvoldoende met redenen heeft omkleed.
Aldus verstaan kan die verklaring medewerken tot het bewijs van de in de telastelegging verweten gedragingen — het opruien en aanzetten tot — waarin opzet besloten ligt en de omstandigheid dat deze in het openbaar zijn verricht.” [2]
Die door het Hof gemaakte gevolgtrekkingen zijn niet onbegrijpelijk, terwijl zij als van feitelijke aard in cassatie niet verder kunnen worden getoetst.
Daarvan uitgaande heeft het Hof door bewezen te verklaren dat de verdachte ‘in het openbaar’ bij geschrift heeft aangezet tot haat, welke terminologie in de tenlastelegging is gebezigd in de daaraan in art. 137d Sr toekomende betekenis, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl de bewezenverklaring ook in dit opzicht toereikend is gemotiveerd.”
tweede middelklaagt over de overwegingen van het Hof die erop neerkomen dat de bij de beoordeling van de vraag naar de verhouding van de gedane uitlatingen tot de vrijheid van meningsuiting te betrekken context waarin de uitlatingen zijn gedaan niet de louter subjectieve intentie van de verdachte beslissend is, maar dat die context voor derden kenbaar moet zijn.