Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
22 april 2014.
Hoge Raad
De verdachte stuurde gedurende een periode van enkele maanden meerdere e-mails met beledigende, antisemitische teksten naar een groot aantal ontvangers, waaronder leden van de Tweede Kamer, politieke partijen, media en organisaties zoals het CIDI. Deze uitlatingen betroffen groepsbelediging op grond van ras en godsdienst en werden door het hof bewezen verklaard.
De verdachte voerde aan dat zijn uitlatingen slechts een beperkte groep bereikten en bedoeld waren om een maatschappelijk debat uit te lokken, maar het hof oordeelde dat de omvang en aard van de verspreiding, evenals het ontbreken van een kenbare context voor de ontvangers, maakte dat de uitlatingen als openbaar moesten worden beschouwd. De beledigende aard van de teksten was objectief vastgesteld.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de uitlatingen ter kennis van het publiek waren gebracht en dat de verdachte van het plegen van groepsbelediging een gewoonte had gemaakt. Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor groepsbelediging wegens het openbaar verspreiden van antisemitische e-mails.