Conclusie
[verdachte]
eerste middelziet op de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde en valt uiteen in drie klachten.
eerste klachthoudt in dat het bewezenverklaarde medeplegen noch kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, noch uit de bewijsmotivering van het Hof.
tweede klachtbehelst dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt met betrekking tot het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].
derde klachthoudt in dat de bestreden uitspraak innerlijk tegenstrijdig is. Daartoe wordt er op gewezen dat het Hof enerzijds de verdachte heeft vrijgesproken van het medeplegen van moord omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte en zijn medeverdachte met voorbedachte raad hebben gehandeld omdat niet valt uit te sluiten dat de medeverdachte [medeverdachte] ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, doch hem anderzijds heeft veroordeeld wegens medeplegen van (gekwalificeerde) doodslag, daarbij overwegende dat er (voorwaardelijk) opzet bij de verdachte aanwezig was op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].
tweede middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte cocaïne heeft ingevoerd en aanwezig gehad.
bij de Hoge Raad der Nederlanden