Conclusie
[verdachte]
eerste middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring ter zake van het als feit 1 tenlastegelegde feit niet naar behoren met redenen is omkleed omdat in de bewezenverklaring bij één van de negen valselijk opgemaakte geschriften (‘werkgeversverklaringen’, met in enkele gevallen ook salarisspecificaties) een ander jaartal is vermeld dan in de bewijsmiddelen is te vinden. Blijkens bewijsmiddel 75 (bijlage 22) gaat het om een werkgeversverklaring met de datum 23 november 2004, terwijl in de bewezenverklaring 23 november 2005 is genoemd.
tweede middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring ter zake van het als feit 2 tenlastegelegde treft niet naar behoren met redenen is omkleed omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat Bank of Scotland door de in de bewezenverklaring bedoelde, valselijk opgemaakte, stukken (werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie) is bewogen tot de afgifte van een hypothecaire geldlening ten bedrage van € 120.000,-.
derde middelklaagt erover dat de bewezenverklaring ter zake van het als feit 3 tenlastegelegde feit niet naar behoren met redenen is omkleed omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat Fortis Hypotheekbank N.V. door de in de bewezenverklaring bedoelde, valselijk opgemaakte, stukken (valse huurcontracten, waarmee het werd voorgesteld alsof de onroerende zaak waarvoor hypothecair krediet werd aangevraagd was verhuurd) is bewogen tot de afgifte van een hypothecaire geldlening ten bedrage van € 350.000,-.
“is gefinancierd waarbij 2 huurcontracten zijn geleverd als inkomensgegevens”en met die huurcontracten
“werd aangetoond dat de huuropbrengsten van het pand voldoende zouden zijn om de hypotheek te rechtvaardigen”kon het Hof afleiden dat de valse huurcontracten bij de beslissing over de kredietverlening daadwerkelijk een rol hebben gespeeld, en er dus een oorzakelijk verband is tussen deze listige kunstgreep en het bewogen zijn van Fortis Hypotheekbank N.V. tot afgifte van de lening. De in hoger beroep afgelegde verklaring van [betrokkene 3] kan dit bewijsoordeel niet onbegrijpelijk maken. Weliswaar houdt deze verklaring in dat [betrokkene 3], destijds werkzaam bij (een dochterbedrijf van) Fortis, ten tijde van de financieringsaanvraag wist dat het desbetreffende pand leeg stond en dat de verdachte de huurcontracten “in een later stadium” heeft overgelegd, maar deze verklaring houdt ook in dat Fortis haar offerte onder voorwaarden had uitgebracht en dat het overleggen van de huurcontracten wezenlijk was voor de toekenning van het krediet.
vierde middelkomt op tegen de bewezenverklaring ter zake van het als feit 4 tenlastegelegde ‘witwassen’, welke bewezenverklaring luidt dat de verdachte:
“[A] heeft een maand loon op de rekening van mij gestort. Ik kon zo een bankafschrift tonen aan de bank. Het geld heb ik cash aan [verdachte] betaald”is gedoeld op de € 4.000,- die op 13 april 2006 op een rekening van de verdachte werd gestort. Voorts kan uit de bewijsmiddelen 22, 27, 28, 30, 33, 99 en 100, in samenhang bezien, worden afgeleid dat de verdachte en [betrokkene 1] een opzetje hadden bedacht waardoor de laatste bij de aanvraag van hypotheekleningen een bankafschrift kon tonen met een bijgeschreven salaris dat overeenkwam met de (door de verdachte valselijk opgemaakte) werkgeversverklaring, dat [betrokkene 1] daartoe € 4.000,- contant aan de verdachte heeft gegeven, en de verdachte diezelfde dag € 3.878,16 heeft overgemaakt naar een rekening van [betrokkene 1] met de vermelding dat het een door [A] uitgekeerd salaris betrof.
vijfde middelkomt op tegen de bewezenverklaring ter zake van het onder 5 tenlastegelegde feit met de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte zich alle daarin genoemde geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend.
zesde middelklaagt over de motivering van de in hoger beroep opgelegde straf.
zevende middelheeft betrekking op de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en het opleggen van de zogenaamde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij.
achtste middelklaagt onmiskenbaar terecht over het niet in acht nemen van de redelijke termijn voor de behandeling van dit cassatieberoep, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, doordat de stukken van dit op 31 maart 2011 ingestelde cassatieberoep eerst op 26 april 2013 ter griffie van de Hoge Raad zijn aangekomen (en op 20 september 2013, nadat was geconstateerd dat die stukken onvolledig waren, in het ontbrekende is voorzien).