Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vijfde middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beoordeling van het zevende middel
5.Slotsom
6.Beslissing
28 januari 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake witwassen. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte in de periode maart-april 2006 contante stortingen op zijn bankrekening had gedaan, terwijl hij wist dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf. Daarnaast legde het hof een schadevergoedingsmaatregel op en wees het een vordering van de benadeelde partij toe.
De Hoge Raad oordeelt dat het bewijs onvoldoende is om met zekerheid vast te stellen dat verdachte wist dat het geld afkomstig was uit een misdrijf. De bewijsmiddelen, waaronder bankafschriften, verklaringen van betrokkenen en politieprocessen-verbaal, tonen wel verdachte transacties en onverklaarde herkomst van het geld, maar niet de noodzakelijke wetenschap van verdachte. Ook de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij worden vernietigd.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de bewezenverklaring onder feit 4, de strafoplegging en de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij betreft. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen. De redelijke termijn is overschreden, wat door de Hoge Raad wordt vastgesteld.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs van wetenschap van verdachte.