Conclusie
[verdachte]
eerste middelbehelst de klacht dat de ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2010 gehoorde deskundige A.E. van Leeuwen-Bronsgeest niet naar haar persoonsgegevens en haar beroep is gevraagd, noch of zij bloed-of aanverwant is van de verdachte, terwijl zij evenmin op de door de wet voorgeschreven wijze de belofte heeft afgelegd, nu zij immers niet heeft verklaard ‘naar waarheid’ te verklaren.
LJNAX7447) gaat over een ter terechtzitting gehoorde, maar in het geheel niet als getuige of als deskundige beëdigde begeleider van een getuige, die aan het Hof ter terechtzitting informatie had gegeven met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke toestand van de getuige. Die begeleider had volgens de Hoge Raad als getuige moeten zijn beëdigd. Aangezien het behoort tot het wezen van het strafproces, dat op de terechtzitting getuigen onder ede of belofte worden gehoord, leidde de nalatigheid in die zaak tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting. In de onderhavige zaak heeft wel een beëdiging plaatsgevonden, zij het dat geklaagd wordt dat de deskundige niet heeft verklaard dat zij naar waarheid zal verklaren. Volstaan is, zo mag aangenomen worden, met het nog voorhouden door de voorzitter van de ‘oude’ formulering, te weten die van voor de inwerkingtreding van de Wet deskundige in strafzaken. Het moet me van het hart dat ik niet inzie wat het belang is van deze klacht in cassatie. De raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2010 verschenen en hij is aldaar in de gelegenheid gesteld de getuige vragen te stellen en ten aanzien van het deskundigenverhoor opmerkingen te maken, terwijl hij ten aanzien van eventuele gebreken bij de beëdiging van de deskundige niets heeft aangevoerd. [2] Niet gesteld is dat is verklaard omtrent zaken die niet te maken hadden met de status van deskundige maar welke opgaven als getuigenverklaring hadden te gelden – hetgeen dan door het ontbreken van de term ‘naar waarheid’ niet zou zijn afgedekt. [3] Tenslotte is de verklaring van de deskundige niet als bewijsmiddel gebezigd – wél het eerder door haar als vast gerechtelijk deskundige uitgebrachte verslag. Om vergelijkbare redenen faalt de klacht dat het Hof niet naar de persoonsgegevens en het beroep van de deskundige heeft gevraagd. Klaarblijkelijk waren die gegevens ten aanzien van de betreffende deskundige van het NFI, die het eerder gememoreerde schriftelijk deskundigenverslag had uitgebracht, op de genoemde terechtzitting in confesso, ook ten opzichte van de verdediging. Toen was er geen bezwaar van de kant van de verdediging tegen het expliciet achterwege laten van de genoemde vragen. De klacht in cassatie ontbeert een redelijk belang.
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 7 juli 2010 heeft hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting van 7 april 2010, zonder dat blijkt dat de advocaat-generaal bij het Hof en de verdediging daarmee hebben ingestemd.
derde middelvalt uiteen in twee klachten.
Ten eerstebehelst het middel de klacht dat ’s Hofs verwerping van het door de verdediging gevoerde betrouwbaarheidsverweer ten aanzien van het deskundigenrapport onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.
Ten tweedebehelst het middel de klacht dat de afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van medewerkers van de Luxemburgse bank onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. De klachten worden achtereenvolgens behandeld.
vierde middelbehelst eveneens twee klachten.
Ten eersteklaagt het middel erover dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging van feit 1 heeft verlaten, door de verdachte vrij te spreken van de in die tenlastelegging gespecificeerde pleegplaats (Nuenen) en in plaats daarvan bewezen te verklaren dat de verdachte het feit ‘in Nederland’ heeft gepleegd.
ten tweedede klacht dat het Hof de bewezenverklaring, in het bijzonder voor zover zij behelst dat de verdachte “opzettelijk gebruik heeft gemaakt” van vervalste overschrijvingskaarten “bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die overschrijvingskaarten heeft doen toekomen aan de Postbank”, niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Gesteld wordt dat aan de verdachte niet ten laste is gelegd noch is bewezenverklaard dat de verdachte overschrijvingskaarten heeft vervalst, maar dat hij gebruik heeft gemaakt van vervalste overschrijvingskaarten. De bewijsmiddelen vermelden echter niets van dat gebruikmaken, noch van het doen toekomen van de overschrijvingskaarten aan de Postbank, aldus de steller van het middel.
vijfde middel– zoals gewijzigd bij aanvullend schrijven – behelst de klacht dat de bewezenverklaring ten onrechte mede berust op door de verdachte afgelegde verklaringen, terwijl het Hof de verklaringen van de verdachte aantoonbaar onjuist, niet betrouwbaar en gelogen acht. Daartoe wordt in de toelichting op het middel gesteld dat het Hof de bewezenverklaring mede heeft doen steunen op de verklaringen van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg (bewijsmiddelen 7 en 8). Het gebruik van die verklaringen zou niet stroken met ’s Hofs nadere bewijsoverwegingen op p. 4-7, waarin het Hof de leugenachtigheid en onbetrouwbaarheid van verdachtes verklaringen uiteenzet.
zesde middelklaagt erover dat het Hof heeft bepaald dat het bedrag aan schadevergoeding dat kon worden toegewezen wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.
benadeelde partijvoorgestelde middel klaagt erover dat het Hof heeft bepaald dat het bedrag aan schadevergoeding dat kon worden toegewezen wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. Gesteld wordt dat het Hof de wettelijke rente had moeten toekennen vanaf de datum waarop het delict plaatsvond.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
- art. 6:119, eerste lid, BW:
b. wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en Pro de verbintenis niet terstond wordt nagekomen;"