Conclusie
fT B.V. (hierna: B
fT), een bedrijf dat zich bezighield met de bemiddeling bij aan- en verkoop van vennootschappen.
fT, aangekocht en vervolgens weer doorverkocht aan Oxbridge, waarna telkens de naam van de betrokken vennootschap werd gewijzigd. Het gaat daarbij om de volgende vennootschappen (eerst wordt steeds de nieuwe naam vermeld):
- American Energy B.V. (hierna: American Energy), voorheen Anterra Beheer Amsterdam B.V. (hierna : Anterra), verkoopdatum 9 december 1992;
- Censor Investments B.V. (hierna: Censor), voorheen Penn (Iberica) B.V. (hierna: Penn), verkoopdatum eveneens 9 december 1992;
- AE Trading B.V. (hierna: AE Trading), voorheen Interbaros International Holdings B.V. (hierna: Interbaros), verkoopdatum 27 oktober 1993;
- AE Resources N.V. (hierna: AE Resources), voorheen Rentafixe N.V. (hierna: Rentafixe), verkoopdatum 15 november 1994;
- AE Mining B.V. (hierna: AE Mining), voorheen Egg B.V. (hierna: Egg), verkoopdatum 31 augustus 1995; en
- AE Exploration B.V. (hierna: AE Exploration), voorheen Egg II B.V. (hierna: Egg II), verkoopdatum 11 september 1996.
i) dat hij in het kader van de deelnemingsvrijstelling alleen de marge die VDK (ABN AMRO) maakte bij de transacties zou belasten en
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Grief 10van [betrokkene 2] strekt ten betoge dat de rechtbank in het vonnis van 5 juli 2006 (overwegingen 4.1.8 tot en met 4.1.13) ten onrechte heeft geoordeeld, kort gezegd, dat gebruikmaking door de Ontvanger van het zogenoemde “open systeem” van art. 3 lid 2 Iw Pro 1990 (oud), thans artikel 4:124 van Pro de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB), geen onaanvaardbare doorkruising oplevert van de in de Iw 1990 gegeven publiekrechtelijke regeling.
grieven 9, 67 en 68van [betrokkene 2],
grief 2van [eiser] en
grief 10van [betrokkene 3] houden alle in dat de rechtbank – in de overwegingen 4.1.6 van het vonnis van 5 juli 2006 en overweging 2.7.3 van het vonnis van 29 oktober 2008 – ten onrechte heeft geoordeeld dat een eventuele verjaring van de onderhavige belastingaanslagen er niet aan in de weg staat dat de Ontvanger de desbetreffende bedragen op de grondslag onrechtmatige daad als schadevergoeding van [betrokkene] c.s., kan vorderen. In dit verband beroepen [betrokkene] c.s. zich in het bijzonder op de navolgende passage uit wetsgeschiedenis bij art. 27 IW Pro 1990 (oud):
artikel 27invordering door middel van een dagvaarding na verloop van de in dat artikel genoemde termijn onverlet laat wordt van deze mogelijkheid nooit gebruik gemaakt wanneer de in
artikel 27genoemde verjaring is ingetreden.”
inning van de belastingschuld met gebruikmaking van aan de civiele rechtsvordering ontleende bevoegdheden(curs., W-vG), achterwege blijft. De op onrechtmatige daad gebaseerde vordering van de ontvanger op een derde omdat deze derde het verhaal van een belastingschuld illusoir heeft gemaakt, is echter in het geheel niet in de beschouwingen betrokken.
eerste onderdeel [68] klaagt dat waar het hof in rechtsoverweging 6.15 heeft geoordeeld dat de Ontvanger met de onderhavige actie op grond van onrechtmatige daad niet belasting aan het invorderen is, maar maatregelen neemt tegen verkorting van zijn verhaalsrecht, het hof de wettelijke taak van de Ontvanger verwart met diens bevoegdheden bij de uitoefening van die taak op de voet van art. 3 lid 2 Invorderingswet Pro 1990. Indien, aldus het onderdeel, de vorderingen van de Ontvanger in dezen niet zien op de invordering van rijksbelastingen, handelt hij buiten zijn wettelijke taak en dient hij om die reden reeds niet ontvangen te worden in zijn vorderingen, dan wel dient hem die vorderingen te worden ontzegd.
tweede onderdeel [71] dat indien de Ontvanger binnen zijn wettelijke taak tot invordering van rijksbelastingen handelt, het fiscale verjaringsregime van toepassing is, nu de fiscale verjaringsregels exclusief zijn en de Ontvanger geen beroep kan doen op de civiele verjaringsregels [72] . Daarmee is, aldus het onderdeel, “de vordering uit onrechtmatige daad accessoir aan de betreffende belastingaanslag gelijk een aansprakelijkheidsschuld die als accessoire verbintenis niet voor zelfstandige verjaring vatbaar [is] en [volgt] derhalve de verjaring van de aanslagen waarvoor aansprakelijk is gesteld” [73] . Het onderdeel betoogt verder dat, anders dan ingeval van toepasselijkheid van de civiele verjaringsregels, de fiscale verjaring bij gebreke aan stuiting kan intreden hangende een aansprakelijkheidsprocedure met als gevolg dat de aansprakelijkstelling vervalt.