Conclusie
eerste middelkeert zich tegen de bewezenverklaring en valt uiteen in de volgende twee klachten: (i) het Hof heeft bij de bewijsvoering een door verzoeker bij de politie afgelegde verklaring gedenatureerd en (ii) uit de bewijsvoering kan niet zonder meer worden afgeleid dat de aan verzoeker voorgehouden foto één van de foto’s is die zijn genomen door de getuige [getuige], zoals vermeld in bewijsmiddel(en) 5 en/of 6.
“Bewijsoverweging
bepleit, wegens onvoldoende overtuigend bewijs.De raadsman voert daartoe -kort gezegd- aan dat vast staat dat de verdachte in de [a-straat] te Amsterdam aanwezig was. Echter niet vast staat dat de jongen op de foto, welke genomen is door de getuige [getuige], dezelfde jongen is als die uit de woning waar de inbraak plaatsvond, stapte. Er is voldoende ruimte voor twijfel, nu er 4 à 5 jongens bij betrokken waren en bovendien een moment is geweest dat de getuige niet heeft gekeken naar de jongens, aldus de raadsman.
.
tweede middelklaagt dat het Hof ten onrechte en in strijd met art. 77z (oud) Sr aan de voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 60 uren de algemene voorwaarde heeft verbonden dat die werkstraf ook ten uitvoer kan worden gelegd indien verzoeker voor het einde van de proeftijd geen medewerking heeft verleend aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 Wet Pro op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden.
“BESLISSING
werkstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen jeugddetentie.
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet Pro op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.”
De vraag rijst nu wat verstandig is. Een kleine rondgang langs de feitenrechtspraak leert mij dat rechtbanken en hoven op ruime schaal de nieuwe identificatievoorwaarde hebben verbonden aan voorwaardelijke veroordelingen voor feiten die zijn begaan voor 1 oktober 2010.
derde middelvalt in drie klachten uiteen. De eerste klacht houdt in dat het Hof ten onrechte en in strijd met art. 77aa, tweede jº vierde lid, Sr heeft bepaald dat Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam de opdracht krijgt om verzoeker hulp en steun te verlenen bij de naleving van de hem opgelegde voorwaarden. De tweede klacht luidt dat het Hof ten onrechte heeft bepaald dat verzoeker zich gedurende de proeftijd dient te stellen onder het toezicht van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door die instelling zullen worden gegeven. Beide klachten strekken ten betoge dat de genoemde opdracht en het vereiste toezicht door Reclassering Nederland hadden moeten worden uitgevoerd, aangezien verzoeker ten tijde van het opleggen van de voorwaardelijke straf inmiddels meerderjarig was geworden, en lenen zich derhalve voor een gezamenlijke bespreking.
“BESLISSING
werkstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen jeugddetentie.