ECLI:NL:PHR:2012:BY4647
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over kwalificatie van wederzijdse prestaties in overeenkomst ontwikkeling antrax-medicijn
Belanghebbende ontwikkelde een medicijn tegen antrax en sloot daartoe een overeenkomst met de Staat, waarbij de Staat bijdroeg in de ontwikkelingskosten en in ruil daarvoor het recht kreeg het medicijn met voorrang en tegen gereduceerde prijs te kopen. De Staat betaalde ruim een miljoen euro, waarop de vraag rees of dit een vergoeding was voor een prestatie van belanghebbende jegens de Staat.
De Rechtbank oordeelde bevestigend, maar het Hof stelde dat de Staat een prestatie aan belanghebbende had verricht (kredietverstrekking) en dat belanghebbende op dat moment geen prestatie leverde. De Advocaat-Generaal betoogde dat het Hof onjuiste rechtsopvatting had, omdat over en weer verrichte prestaties niet samen één prestatie van één partij vormen en dat het Hof onvoldoende had onderzocht of belanghebbende wel degelijk een prestatie verrichtte.
De Hoge Raad concludeert dat het Hof onjuiste rechtsopvatting hanteerde of onvoldoende motiveerde en verwijst de zaak terug voor nader feitenonderzoek naar de aard van de prestaties en de vergoeding. Daarbij wordt ook benadrukt dat de verbintenissen van belanghebbende in beginsel als dienstverlening kunnen worden aangemerkt, mits tegen vergoeding.
De zaak betreft de complexe vraag hoe wederzijdse prestaties in een overeenkomst fiscaal moeten worden gekwalificeerd, waarbij jurisprudentie van het HvJ EU over meer-elementige prestaties wordt besproken, maar niet zonder meer toepasbaar wordt geacht op over en weer verrichte prestaties tussen twee ondernemers.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor nader feitenonderzoek.