ECLI:NL:HR:1999:AA2785
Hoge Raad
- Cassatie
- De Moor
- Van Vliet
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffing omzetbelasting over vergoedingen voor optieverleningen als niet vrijgestelde diensten
De maatschap X heeft over het jaar 1994 omzetbelasting betaald en bezwaar gemaakt tegen het bedrag, stellende dat de vergoedingen voor optieverleningen vrijgesteld zouden moeten zijn. De Inspecteur wees het bezwaar af en het Gerechtshof Arnhem bevestigde deze afwijzing.
In cassatie stond centraal of de vergoedingen voor optieverleningen moesten worden aangemerkt als tegenprestatie voor de levering van een goed, die op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 vrijgesteld kan zijn, of als vergoeding voor diensten die niet zijn vrijgesteld. Het Hof had geoordeeld dat de optieverleningen geen overdracht van economische eigendom inhielden, omdat het Samenwerkingsverband Oost Gelderland (SOG) slechts het recht had om binnen vier jaar onroerende zaken te kopen tegen een vooraf vastgestelde prijs, zonder verplichting tot aankoop.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat door het vaststellen van de koopprijs bij de optieovereenkomst het risico en daarmee de economische eigendom was overgegaan. De Hoge Raad stelde dat het recht tot aankoop tegen een vaste prijs niet gelijkstaat aan overdracht van de macht om als eigenaar te beschikken. Daarmee is sprake van een dienst en niet van een levering van een goed, en is de heffing van omzetbelasting terecht.
De Hoge Raad wees tevens een veroordeling in proceskosten af en stelde het beroep in cassatie als ongegrond af.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vergoedingen voor optieverleningen als niet vrijgestelde diensten worden beschouwd en de heffing van omzetbelasting terecht is.