ECLI:NL:PHR:2012:BX3809
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest Hof wegens onjuiste rechtsopvatting over bevoegdheid vordering politie bij noodverordening
Verdachte werd door het Hof veroordeeld wegens het opzettelijk niet voldoen aan een vordering om zich te verwijderen uit een gebied dat onder een noodverordening viel, ingesteld vanwege een internationale conferentie in Den Haag. De vordering was gedaan door een hoofdagent, op grond van artikel 6 van Pro de noodverordening, gebaseerd op de Gemeentewet.
De verdediging stelde onder meer dat de noodverordening niet verbindend was en dat de politieambtenaar niet bevoegd was de vordering te doen, omdat deze niet namens de burgemeester handelde. Het Hof verwierp deze verweren en oordeelde dat de politie zelfstandig kon optreden op grond van artikel 172 lid 2 Gemeentewet Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 184 Sr Pro vereist dat de vordering krachtens een wettelijk voorschrift is gedaan en dat dit voorschrift uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het doen van de vordering aan de ambtenaar moet toekennen. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat de politieambtenaar zelfstandig bevoegd was zonder expliciete opdracht of mandaat van de burgemeester. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat de vordering namens de burgemeester is gedaan, zoals vereist.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het Hof voor hernieuwde berechting, waarbij de bevoegdheid tot het doen van de vordering en de verbindendheid van de noodverordening opnieuw moeten worden beoordeeld.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.