ECLI:NL:PHR:2012:BW6674
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over beslaglegging en recht op rechtsbijstand bij onbetaalde advocatenkosten
In deze zaak stond centraal of een conservatoir beslag op het gehele vermogen van een verdachte of rechtspersoon gedeeltelijk moet worden opgeheven omdat de betrokkene daardoor zijn advocaat niet kan betalen, wat volgens het hof in strijd zou zijn met het recht op rechtsbijstand uit art. 6 EVRM Pro. Het hof had het klaagschrift gegrond verklaard en gedeeltelijke opheffing van het beslag bevolen om betaling van advocatenkosten mogelijk te maken.
De Hoge Raad stelt dat het door het hof gehanteerde oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Art. 6 lid 3 sub c EVRM Pro verplicht niet tot opheffing van een rechtmatig beslag alleen omdat daardoor de verdachte zijn gekozen raadsman niet kan betalen. Het recht op gratis rechtsbijstand betekent niet dat de overheid de advocaat van eigen keuze moet betalen, maar dat rechtsbijstand wordt verleend binnen het systeem van gefinancierde rechtsbijstand.
De Hoge Raad benadrukt dat het beslag dient ter beveiliging van ontnemingsvorderingen en dat het belang van het strafvorderlijk beslag zwaarder weegt dan het belang van de advocaat om betaald te worden. Ook het belang van de verdachte om niet van advocaat te hoeven wisselen weegt niet zwaar genoeg om het beslag op te heffen. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van het hof en wijst het klaagschrift af. De betrokkene kan wel opnieuw klaagschrift indienen als er andere gronden ontstaan.
De conclusie bevat een uitgebreide analyse van jurisprudentie en verdragsrecht, waarbij wordt benadrukt dat het systeem van gefinancierde rechtsbijstand en de belangenafweging tussen beslag en rechten van de verdachte centraal staan. Het arrest verduidelijkt de verhouding tussen beslaglegging en het recht op rechtsbijstand.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst het klaagschrift af, waarmee het beslag blijft gehandhaafd.