ECLI:NL:PHR:2012:BW5517
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op compensatie bij langdurige vluchtvertraging en wijst prejudiciële vragen af
In deze zaak vorderden passagiers compensatie van KLM wegens een vluchtvertraging van circa 17 uur op grond van art. 7 van Pro Verordening (EG) Nr. 261/2004, gesteund op het Sturgeon-arrest van het HvJ EU. KLM weigerde betaling en stelde dat de zaak aangehouden moest worden in afwachting van prejudiciële vragen bij het HvJ EU over de uitleg van de Verordening.
De kantonrechter te Amsterdam wees de vordering toe en oordeelde dat het Sturgeon-arrest als geldend recht geldt en dat geen aanleiding was tot het stellen van prejudiciële vragen of aanhouding. KLM kwam in cassatie tegen deze beslissing en klaagde vooral over het niet stellen van prejudiciële vragen en een gebrek aan motivering.
De Hoge Raad overwoog dat de kantonrechter als hoogste rechter in de zin van art. 267 VWEU Pro verplicht is prejudiciële vragen te stellen indien onduidelijkheid bestaat over Unierechtelijke bepalingen. Echter, in dit geval was toetsing van de verhouding tussen het Sturgeon-arrest en andere arresten niet mogelijk binnen de beperkte cassatiegrondslag. De motivering van de kantonrechter was voldoende en het beroep werd verworpen.
Hiermee bevestigde de Hoge Raad dat passagiers aanspraak kunnen maken op compensatie bij langdurige vertraging en dat het Sturgeon-arrest als geldend recht geldt, terwijl het niet verplicht is prejudiciële vragen te stellen indien de nationale rechter zijn oordeel kan geven binnen de grenzen van zijn bevoegdheid.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het recht op compensatie bij langdurige vluchtvertraging.