ECLI:NL:PHR:2012:BU5620
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over kennelijk onredelijk ontslag en causale relatie arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft een vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag op grond van het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 BW Pro. Werknemer trad in 2000 in dienst en viel vanaf 2002 gedeeltelijk en later volledig arbeidsongeschikt uit. Hij stelde dat zijn rugklachten veroorzaakt waren door werkzaamheden en dat de werkgever onvoldoende had gedaan aan re-integratie.
De kantonrechter oordeelde dat er geen causaal verband was, maar dat de werkgever tekort was geschoten in haar re-integratieverplichtingen en kende een schadevergoeding toe. Het hof vernietigde dit en wees de vorderingen af, stellende dat werknemer onvoldoende had gesteld om bewijs te leveren van het causaal verband en dat de werkgever niet tekort was geschoten.
In cassatie betoogde werknemer dat het hof onjuiste maatstaven hanteerde voor stelplicht en bewijslast, en dat het hof onjuist oordeelde over het re-integratieproces. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de stelplicht en bewijslast omtrent het causaal verband op werknemer rusten en dat het hof terecht vond dat werknemer onvoldoende had gesteld om tot bewijslevering toe te laten.
Ook oordeelde de Hoge Raad dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had omtrent de re-integratieverplichtingen en dat het oordeel over het niet tekortschieten van de werkgever voldoende gemotiveerd was. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; werknemer heeft onvoldoende gesteld over causaal verband en werkgever is niet tekortgeschoten in re-integratieverplichtingen.