ECLI:NL:PHR:2012:BU5606
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing voorrangsregel kinderalimentatie en draagkrachtberekening man
De zaak betreft een verzoek tot wijziging van kinderalimentatie op grond van art. 1:401 BW Pro, waarbij de man cassatie instelde tegen het oordeel van het hof Arnhem. Het hof had de man verplicht om voor de minderjarige kinderen en meerderjarige dochters een bijdrage te betalen, waarbij het de voorrangsregel van art. 1:400 lid 1 BW Pro toepaste. De man betwistte dat de nieuwe echtgenote als onderhoudsgerechtigde moest worden meegenomen en voerde aan dat haar verdiencapaciteit beperkt was vanwege haar inburgeringscursus en het ontbreken van inkomen.
De Hoge Raad oordeelde dat de nieuwe echtgenote inderdaad als onderhoudsgerechtigde valt onder de voorrangsregeling van art. 1:400 BW Pro en dat het hof terecht rekening hield met haar verdiencapaciteit en woonlasten. Het hof had voldoende gemotiveerd dat de man onvoldoende feiten had gesteld om aan te tonen dat de nieuwe echtgenote niet in haar eigen levensonderhoud kon voorzien. Ook was het oordeel van het hof dat de draagkracht van de man gelijk over de kinderen moest worden verdeeld niet onbegrijpelijk.
Verder verwierp de Hoge Raad de klachten over de ontvankelijkheid van de meerderjarige kinderen in hoger beroep en de motiveringen van het hof over de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De man had onvoldoende onderbouwd dat het hof onzorgvuldig had gehandeld bij de berekening van zijn draagkracht. Het cassatieberoep werd daarom verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het oordeel van het hof Arnhem bevestigd.