ECLI:NL:PHR:2012:BU4202
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over investeringskosten bij ontnemingsmaatregel en overschrijding redelijke termijn in cassatie
In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag een ontnemingsmaatregel opgelegd aan betrokkene ter zake van medeplegen van een strafbaar feit onder de Opiumwet, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €8.281,20 en afgerond op €8.000,-. Betrokkene voerde in cassatie aan dat investeringskosten van €15.000,- in hun geheel in mindering moesten worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, en niet slechts een afschrijving zoals het hof had gedaan.
De Hoge Raad overweegt dat alleen kosten die direct samenhangen met de voltooiing van het delict in mindering kunnen worden gebracht en dat de rechter grote vrijheid heeft bij de waardering hiervan. Het hof hoefde niet uitgebreid te motiveren waarom het de investeringskosten niet volledig aftrok, vooral omdat het verweer niet gemotiveerd en gespecificeerd was zoals vereist. Investeringskosten kunnen slechts in de vorm van afschrijvingskosten worden meegenomen.
Daarnaast is vastgesteld dat de termijn voor het indienen van stukken in cassatie met negen maanden is overschreden en dat ook de redelijke termijn voor afronding van de cassatieprocedure met bijna zes maanden is overschreden. De Hoge Raad constateert deze overschrijding, maar acht dit in deze zaak geen reden voor vernietiging of strafvermindering, hoewel in een samenhangende zaak wel strafvermindering wordt toegepast.
Het cassatiemiddel dat klaagt over het niet voldoende motiveren van het hof wordt verworpen. Het middel over de overschrijding van de redelijke termijn wordt gegrond verklaard, maar leidt niet tot vernietiging van het arrest. Het beroep wordt in zijn geheel verworpen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van €8.000,- blijft gehandhaafd.