ECLI:NL:PHR:2011:BU3962
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek niet-gezaghebbende ouder tot omgangsregeling wegens zwaarwegende belangen minderjarige
De zaak betreft een verzoek van de vader, die niet het gezag heeft over zijn zoon, tot vaststelling van een omgangsregeling. De vader had de zoon erkend en wilde omgang met hem, maar de moeder, die het gezag heeft en bij wie de zoon woont, stond dit niet toe sinds juli 2007. Na een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming waarin een geleidelijke opbouw van omgang werd geadviseerd, wees de kinderrechter het verzoek af vanwege de zorgelijke voorgeschiedenis en het ontbreken van medewerking van de vader aan een geleidelijke opbouw.
Het hof bekrachtigde deze beslissing en overwoog dat de relatie tussen ouders ernstig verstoord is, er geen vertrouwen is van de moeder in de vader, en dat de vader onvoldoende inzicht toont in de belangen van de zoon. Ook is er geen communicatie tussen ouders en is de zoon te afhankelijk van de moeder om zonder haar ondersteuning de omgang aan te kunnen. Het hof stelde dat het belang van de zoon zwaarder weegt dan het verzoek van de vader en dat een omgangsregeling pas mogelijk is als de ouders aan zichzelf werken.
De Hoge Raad oordeelde dat de motivering van het hof voldoende inzicht geeft in de redenen voor afwijzing, dat het belang van de minderjarige centraal staat en dat de omgangsregeling niet per direct kan worden opgelegd zonder voorbereiding en begeleiding. Klachten over onvoldoende motivering en het ontbreken van alternatieve begeleidingsmogelijkheden faalden omdat deze niet door partijen waren aangevoerd. Het beroep van de vader werd verworpen.
Uitkomst: Het verzoek van de niet-gezaghebbende vader tot omgang met zijn zoon is afgewezen vanwege zwaarwegende belangen van het kind.