ECLI:NL:PHR:2011:BP9449
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van lijfsdwang als strafrechtelijke maatregel en toepassing van EVRM-artikel 7
Deze zaak betreft de juridische beoordeling van de maatregel lijfsdwang, zoals geregeld in artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering, toegepast ter executie van ontnemingsvorderingen. De centrale vraag was of lijfsdwang als een strafrechtelijke sanctie ('penalty') moet worden aangemerkt binnen de betekenis van artikel 7, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en in hoeverre dit artikel beperkingen stelt aan de duur van de vrijheidsbeneming.
De verdediging voerde aan dat lijfsdwang geen straf is, maar een civielrechtelijke executiemaatregel, en dat toepassing ervan in strijd zou zijn met artikel 7 EVRM Pro omdat het een zwaardere straf oplegt dan ten tijde van het strafbare feit was toegestaan. De Hoge Raad en het hof oordeelden echter dat lijfsdwang wel degelijk als een 'penalty' moet worden beschouwd, mede vanwege het punitieve karakter, de strafvorderlijke procedure en de aard van de vrijheidsbeneming.
Verder werd vastgesteld dat voor feiten gepleegd vóór 1 maart 1993 de duur van de lijfsdwang niet langer mag zijn dan zes maanden, conform de toen geldende regeling voor vervangende hechtenis. Dit volgt uit een verdragsconforme interpretatie van de overgangsbepalingen en de bescherming van artikel 7 EVRM Pro tegen zwaardere straffen achteraf.
De Hoge Raad benadrukte dat hoewel lijfsdwang civielrechtelijke elementen bevat, het toch onder het strafrechtelijke regime valt en dat de rechter een belangrijke rol speelt bij de toewijzing en duur van de maatregel. De uitspraak draagt bij aan de rechtsontwikkeling en rechtseenheid omtrent de toepassing van vrijheidsbenemende maatregelen in ontnemingszaken.
Uitkomst: Lijfsdwang is een strafrechtelijke maatregel ('penalty') en de duur van vrijheidsbeneming is beperkt tot zes maanden voor feiten van voor 1993.