ECLI:NL:PHR:2011:BP9448
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Omzetting Britse gevangenisstraf voor invoer heroïne naar Nederlandse maatstaven
De zaak betreft de omzetting van een in Groot-Brittannië opgelegde gevangenisstraf van zeven jaar en zes maanden voor de invoer van 17,6 kilogram pure heroïne naar een Nederlandse straf. De Rechtbank Rotterdam legde een gevangenisstraf van 54 maanden op, gebaseerd op het gewicht van 37 kilogram versneden heroïne. De verdediging stelde dat de rechtbank onterecht is uitgegaan van een ander feit dan waarvoor de veroordeelde in Engeland is veroordeeld, namelijk het gewicht van de versneden drugs in plaats van het gewicht van de onversneden drugs.
De Hoge Raad overweegt dat de rechtbank bij de omzetting van de straf gebonden is aan het feit zoals vastgesteld door de buitenlandse rechter en dat het verschil in weergave van het gewicht (versneden versus onversneden) niet leidt tot een ander feit. De rechtbank heeft terecht het gewicht van de versneden drugs als uitgangspunt genomen, omdat dit overeenkomt met de partij heroïne waarop de Britse veroordeling is gebaseerd. Daarnaast is het niet onjuist dat de rechtbank niet strikt de LOVS-richtlijnen toepast, aangezien deze niet gelden voor de WOTS-procedure en internationale gevoeligheden in acht moeten worden genomen.
De Hoge Raad wijst ook het beroep af dat de rechtbank onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de factoren die de Britse rechter bij de strafoplegging heeft meegewogen. Volgens de Hoge Raad is de strafmotivering in de WOTS-procedure beperkt en hoeft niet alle factoren expliciet te worden vermeld. De middelen van cassatie worden verworpen, waarmee het beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de omzetting van de Britse gevangenisstraf naar een Nederlandse gevangenisstraf van 54 maanden zonder wijziging van het feit.