ECLI:NL:PHR:2011:BP3073
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van heffingsrente bij voorlopige aanslagen en ambtshalve vermindering in belastingrecht
In deze zaak staat centraal de vraag of de inspecteur bevoegd is om een nadere voorlopige aanslag tot een negatief bedrag op te leggen en hoe de heffingsrente in dat kader moet worden berekend en vergoed.
De belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de berekening van heffingsrente over een voorlopige aanslag. Het hof oordeelde dat de inspecteur terecht heffingsrente had berekend en dat de inspecteur de keuze had om een negatieve voorlopige aanslag op te leggen, wat gevolgen had voor de vergoeding van heffingsrente. De Hoge Raad stelt dat deze keuzevrijheid niet bestaat en dat het wettelijke regime geen mogelijkheid biedt voor het opleggen van een negatieve voorlopige aanslag in dit geval.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de wettelijke bepalingen, waaronder artikel 13 en Pro 65 AWR, en het zorgvuldigheidsbeginsel uit de Awb. Daarbij wordt benadrukt dat de inspecteur bij het nemen van besluiten een belangenafweging moet maken en dat nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn. De Hoge Raad stelt dat het opleggen van een ambtshalve vermindering in plaats van een negatieve voorlopige aanslag kan leiden tot een rentenadeel voor de belastingplichtige, wat strijdig kan zijn met het evenredigheidsbeginsel.
Verder wordt ingegaan op de complexiteit van de heffings- en invorderingsrente, de wetsgeschiedenis, jurisprudentie en beleidsregels die betrekking hebben op de berekening en vergoeding van rente. De Hoge Raad benadrukt dat de inspecteur binnen het massale proces van voorlopige aanslagen niet verplicht is te wachten op een definitieve aanslag en dat het verminderen van een voorlopige aanslag niet onzorgvuldig is.
Tot slot wordt geconcludeerd dat het oordeel van het hof dat de inspecteur keuzevrijheid heeft om een negatieve voorlopige aanslag op te leggen niet kan worden gehandhaafd en dat de inspecteur bij zijn besluitvorming rekening moet houden met het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
Uitkomst: Het oordeel van het hof dat de inspecteur keuzevrijheid heeft om een negatieve voorlopige aanslag op te leggen wordt vernietigd.