ECLI:NL:HR:2011:BP3073

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02169
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 AWRArt. 30j AWRArt. 65 AWRArt. 3:4 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat opleggen nadere voorlopige aanslag tot negatief bedrag mogelijk is met vergoeding rentenadeel

In deze zaak ging het om een belanghebbende die voor het jaar 2007 een nadere voorlopige aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd kreeg. Tegelijkertijd werd heffingsrente in rekening gebracht. Na bezwaar werd de beschikking inzake heffingsrente gehandhaafd door de Inspecteur. De Rechtbank te Breda verklaarde het beroep tegen dit besluit gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en verminderde de in rekening gebrachte heffingsrente.

De Inspecteur stelde hiertegen hoger beroep in bij het Hof, dat de uitspraak van de Rechtbank bevestigde. Vervolgens stelde de Minister van Financiën beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

De Hoge Raad oordeelde dat het opleggen van een nadere voorlopige aanslag tot een negatief bedrag mogelijk is en dat de keuze daartoe aan de inspecteur is. Het rentenadeel dat door deze keuze ontstaat, moet worden vergoed op grond van het evenredigheidsbeginsel. De middelen van het cassatieberoep faalden, waarna het beroep in cassatie ongegrond werd verklaard.

De Hoge Raad wees geen proceskosten toe en legde een griffierecht op aan de Staat. Dit arrest bevestigt de rechtspraak omtrent de mogelijkheid van negatieve voorlopige aanslagen en de vergoeding van het rentenadeel.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Minister van Financiën wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bevestigd.

Uitspraak

Nr. 10/02169
14 oktober 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 april 2010, nr. 09/00094, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) gegeven beschikking heffingsrente.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een nadere voorlopige aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is heffingsrente in rekening gebracht. De beschikking inzake heffingsrente is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 08/3768) heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Minister heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 30 december 2010 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris van Financiën heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2011, nr. 10/02171, LJN BP3073, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2011.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Minister van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.