ECLI:NL:PHR:2011:BP1179
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijsuitsluiting bij onrechtmatige DNA-afname en verwerking
In deze zaak stond de vraag centraal of een onrechtmatige afname van een DNA-referentiemonster en het daarop gebaseerde DNA-profiel, verkregen buiten het voorbereidend onderzoek, tot bewijsuitsluiting kan leiden. Het hof had vastgesteld dat het DNA-monster onrechtmatig was afgenomen, maar dat dit vormverzuim niet viel onder artikel 359a Sv omdat het niet in het voorbereidend onderzoek was begaan. De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en benadrukte dat het vormverzuim geen automatische rechtsgevolgen heeft.
Het hof had verder geoordeeld dat de verdachte niet in een rechtens te respecteren belang was geschaad, mede omdat het DNA-profiel dat op grond van een later bevel had moeten worden afgenomen identiek zou zijn geweest aan het onrechtmatig verkregen profiel. De Hoge Raad vond dit oordeel toereikend gemotiveerd en verwierp het beroep tegen de bewijsuitsluiting.
Daarnaast werd een verzoek om een advocaat-generaal als getuige te horen afgewezen omdat deze niet als verschenen getuige kon worden aangemerkt. De Hoge Raad bevestigde dat aanwezigheid ter terechtzitting niet automatisch betekent dat iemand als getuige moet worden gehoord.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige afweging van de ernst van het verzuim, het belang van het geschonden voorschrift en het nadeel voor de verdachte bij bewijsuitsluiting. Tevens wordt erkend dat de onrechtmatige afname een schending van artikel 8 EVRM Pro inhoudt, maar dat dit in deze zaak voldoende gecompenseerd is.
De Hoge Raad verwierp alle middelen en bevestigde het arrest van het hof, waarmee het beroep van verdachte werd afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het onrechtmatig verkregen DNA-profiel leidt niet tot bewijsuitsluiting.