ECLI:NL:HR:2007:BB2884
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- W.A.M. van Schendel
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van DNA-vergelijking als bewijs bij sepot van initiële zaak
In deze zaak stond centraal of het gebruik van een DNA-vergelijking als bewijs rechtmatig was, ondanks het feit dat de initiële zaak waarin het DNA van de verdachte was afgenomen, was geseponeerd. De verdachte werd verdacht van drie inbraken waarbij DNA-sporen waren aangetroffen en in een DNA-databank waren opgenomen als cluster 804. Na afname van DNA in een andere zaak en opname in de databank bleek het DNA van de verdachte overeen te komen met dit cluster.
De Officier van Justitie had het NFI opdracht gegeven het DNA van de verdachte te vergelijken met de databankprofielen. Hoewel de initiële zaak werd geseponeerd wegens gebrek aan bewijs, leidde de DNA-match tot een strafrechtelijk onderzoek en aanhouding van de verdachte voor de drie inbraken.
De verdediging stelde dat het NFI-rapport niet als bewijs mocht worden gebruikt omdat het DNA-profiel na het sepot vernietigd had moeten worden volgens het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken. De Hoge Raad oordeelde echter dat de verdachte ook na het sepot nog als verdachte van de drie inbraken kon worden aangemerkt, zodat vernietiging van het DNA-profiel niet verplicht was en het bewijs rechtmatig was verkregen.
De Hoge Raad bevestigde dat de wetgever het bewaren van DNA-profielen die corresponderen met andere zaken, zelfs vóór de wijziging van het Besluit, toelaatbaar achtte. Het beroep van de verdachte werd verworpen en het hof had de verdachte terecht als verdachte aangemerkt op basis van het DNA-bewijs.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het DNA-bewijs rechtmatig was, ook na het sepot van de initiële zaak.