ECLI:NL:PHR:2011:BO7971

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01521
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 423 SvArt. 63 Sr
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof wegens onvoldoende motivering bewijswaardering in valsheid in geschrift

In deze zaak stond verdachte terecht wegens meermalen gepleegde valsheid in geschrift. De rechtbank had verdachte veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof bevestigde dit vonnis, maar de verdediging stelde cassatie in met het middel dat het hof ten onrechte het vonnis van de rechtbank had bevestigd zonder een volledige en inhoudelijke weergave van de bewijsmiddelen.

De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 359 lid 3 Sv Pro de rechtbank bij een pleidooi tot vrijspraak door of namens verdachte niet volstaat met een loutere opgave van bewijsmiddelen, maar de inhoud daarvan moet weergeven. De rechtbank had dit nagelaten bij het onder 2 en 3 ten laste gelegde feit, terwijl de raadsman vrijspraak had bepleit. Hierdoor had het hof het vonnis niet mogen bevestigen zonder aanvulling van de gronden.

De Hoge Raad verklaarde het middel gegrond en vernietigde het arrest voor zover het het vonnis en de strafoplegging bevestigde met betrekking tot het onder 2 en 3 bewezenverklaarde. De zaak werd terugverwezen naar het hof te 's-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting en beslissing. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de bewijsmiddelen.

Conclusie

Nr. 09/01521
Mr. Silvis
Zitting 7 december 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 19 maart 2009, onder aanvulling van de gronden en met toevoeging van art. 63 Sr Pro onder de toepasselijke wettelijke voorschriften, het vonnis van de rechtbank te Maastricht van 13 februari 2008 bevestigd, bij welk vonnis verdachte wegens 1. "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" en 2. en 3. "de voortgezette handeling van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" was veroordeeld tot 200 uur taakstraf in de vorm van een werkstraf, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek, en tot zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het hof a) het vonnis van de rechtbank niet had mogen bevestigen nu de rechtbank ten onrechte geen volledige opgave heeft gedaan van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, terwijl het hof b) daarnaast gelet op het in hoge beroep gevoerde verweer het vonnis ten aanzien van de bewezenverklaringen niet had mogen bevestigen.
4. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 30 januari 2008 blijkt dat de raadsman inderdaad ten aanzien van feit 3 heeft aangevoerd dat er niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat zijn cliënt het opzet heeft gehad om de vervalste ondersteuningsverklaringen als echt en onvervalst te laten doorgaan.
De officier van justitie is in zijn repliek ingegaan op dit verweer concluderend dat er geen sprake meer is van vrijwillige terugtred.
In haar vonnis gaat ook de rechtbank uitdrukkelijk in op het verweer dat het vereiste opzet ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde ontbrak.
5. Door het gebruik van voetnoten kan de indruk ontstaan dat er sprake is van een promis-vonnis, zoals ook in de toelichting op het middel wordt opgemerkt. Dat is echter niet het geval: de rechtbank heeft in haar vonnis immers niet een samenvatting gegeven van de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen.(1)
6. De rechtbank heeft klaarblijkelijk gemeend dat ten aanzien van alle drie de feiten sprake was van een bekennende verdachte in de zin van art. 359 lid 3 Sv Pro en dat zij derhalve kon volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, zonder de inhoud van die bewijsmiddelen op te hoeven nemen in het vonnis. De rechtbank heeft daarbij echter miskend dat de raadsman vrijspraak had bepleit ten aanzien van feit 3, en dat er dus sprake was van een, aan het slot van art. 359 lid 3 Sv Pro genoemd geval. Met betrekking tot feit 3 mocht de rechtbank derhalve niet volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud ervan op te nemen.(2)
7. Gelet hierop had het hof het vonnis van de rechtbank voor zover het de beslissing ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde betrof niet mogen bevestigen. De grief onder a) is derhalve terecht voorgesteld.
8. Voor wat betreft de grief onder b) het volgende. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 maart 2009 heeft de raadsman van verdachte vrijspraak bepleit voor het onder 2 en 3 tenlastegelegde. Het hof is in zijn arrest uitdrukkelijk op dit verweer ingegaan en heeft dit verworpen. Het hof heeft vervolgens het vonnis van de rechtbank ook ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde bevestigd.
9. De rechtbank had in haar vonnis met betrekking tot het onder 2 en 3 bewezenverklaarde echter volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen zoals bedoeld in de tweede volzin van art. 359 lid 3 Sv Pro. Het hof had, nu de raadsman vrijspraak had bepleit voor het onder 2 en 3 tenlastegelegde, het vonnis derhalve ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde niet zonder meer mogen bevestigen, doch slechts onder aanvulling van de gronden, namelijk de weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen als bedoeld in de eerste volzin van art. 359 lid 3 Sv Pro.(3)
10. Ook de grief onder b) is derhalve terecht voorgesteld.
11. Het middel slaagt derhalve in beide onderdelen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het hof daarbij het vonnis van de rechtbank ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde alsmede de strafoplegging heeft bevestigd, tot terugwijzing van de zaak in zoverre naar het hof te 's-Hertogenbosch teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 15 mei 2007, LJN: BA0424, NJ 2007/387, m.nt Y. Buruma.
2 Vgl. HR 18 april 2006, LJN: AV1146, NJ 2006/645, m.nt T.M. Schalken; HR 26 mei 2009, LJN: BH3686, NJ 2009/260.
3 Vgl. HR 28 augustus 2007, LJN: BA5618.