ECLI:NL:PHR:2011:BO5087
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade bij overschrijding redelijke termijn in belastinggeschil
De zaak betreft een cassatieberoep van een belanghebbende tegen een uitspraak van het Hof Arnhem over een naheffingsaanslag loonbelasting en een boete. De belanghebbende klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, die volgens hem heeft geleid tot immateriële schade zoals stress, gezondheidsproblemen en faillissement van zijn BV.
Het Hof had de naheffingsaanslag bevestigd, maar de boete verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek om schadevergoeding wegens de lange duur van de bezwaarprocedure werd afgewezen, omdat niet aannemelijk was dat de vertraging schade had veroorzaakt.
De Procureur-Generaal concludeert dat art. 6 EVRM Pro niet van toepassing is op zuivere belastingprocedures, maar dat bestuursrechters op basis van het rechtszekerheidsbeginsel wel vergoeding van immateriële schade toekennen bij termijnoverschrijding. De formele wet (art. 8:73 Awb Pro) biedt echter geen grondslag voor schadevergoeding in cassatie en de Hoge Raad kan niet toetsen aan ongeschreven rechtsbeginselen.
Gezien een wetsvoorstel dat vergoeding bij termijnoverschrijding regelt binnenkort in werking treedt, adviseert de Procureur-Generaal het cassatieberoep ongegrond te verklaren of de zaak aan te houden. De zaak illustreert de juridische discussie over vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van redelijke termijnen in belastingprocedures zonder strafrechtelijke component.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een rechtsgrond voor vergoeding van immateriële schade bij termijnoverschrijding in zuivere belastingzaken.