ECLI:NL:PHR:2012:BX7830
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling groepsverband en renteaftrekbeperking onder artikel 10d Wet Vpb
De zaak betreft de toepassing van artikel 10d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) op een belanghebbende vennootschap met een 60%- en een 40%-aandeelhouder. De kern van het geschil is of de belanghebbende en haar 60%-aandeelhouder J Beheer BV tot één groep behoren in de zin van artikel 10d, tweede lid, Wet Vpb, hetgeen bepalend is voor de toepassing van de renteaftrekbeperking (thincapregeling).
De Rechtbank en het Hof hebben verschillende oordelen gegeven over het bestaan van een groepsverband, waarbij het Hof oordeelde dat J Beheer niet de centrale leiding had over de joint venture, omdat bij onoverbrugbare onenigheid de strategie niet kon worden doorgezet onder instandhouding van de groep. De Hoge Raad stelt dat het criterium van centrale leiding correct is, maar dat het instandhouden van de joint venture niet noodzakelijk is voor het bestaan van een groep. De vraag is of de meerderheidsaandeelhouder haar wil kan doorzetten onder instandhouding van de groepsrelatie.
Daarnaast is in cassatie de verenigbaarheid van artikel 10d Wet Vpb met de EU-interest- en royaltyrichtlijn aan de orde. De Hoge Raad volgt de conclusie dat de richtlijn zich niet verzet tegen een nationale regeling die renteaftrek beperkt bij de betaler, aangezien de richtlijn zich richt op het voorkomen van juridische dubbele belasting bij de ontvanger. De renteaftrekbeperking leidt tot economische dubbele belasting, maar dat is niet verboden.
Tot slot behandelt de Hoge Raad de verhouding tussen artikel 10a en 10d Wet Vpb en oordeelt dat beide bepalingen naast elkaar kunnen gelden zonder exclusiviteit. De zaak wordt verwezen voor nader feitelijk onderzoek naar het groepsverband en de toepassing van de renteaftrekbeperking.
Uitkomst: De zaak wordt vernietigd en verwezen voor nader feitelijk onderzoek naar het groepsverband en de toepassing van de renteaftrekbeperking.