ECLI:NL:PHR:2011:BO1624
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatstaf teruggave conservatoir beslag op geldbedrag
In deze zaak is onder klager een conservatoir beslag gelegd op een geldbedrag van €214.842,24 op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. Klager verzocht om teruggave van dit bedrag nadat het Openbaar Ministerie in hoger beroep niet-ontvankelijk was verklaard. Het Hof verklaarde het klaagschrift van klager ongegrond omdat klager niet als rechthebbende kon worden beschouwd, mede omdat klager zelf had aangegeven dat het geld toebehoorde aan zijn broer, die ook niet als eigenaar werd erkend.
De Hoge Raad herhaalt dat bij beslag op grond van art. 94a Sv het belang van strafvordering bepalend is voor het voortduren van het beslag. Indien dit belang niet langer bestaat, dient het beslag te worden opgeheven, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De Hoge Raad verduidelijkt dat deze maatstaf ook geldt bij conservatoir beslag, hoewel de wet geen expliciete regeling bevat voor bewaring ten behoeve van de rechthebbende.
In deze zaak is het oordeel van het Hof dat klager niet als rechthebbende kan worden aangemerkt niet onbegrijpelijk of onjuist, mede omdat klager zelf heeft erkend dat het geld niet zijn eigendom is en zijn broer ook niet als eigenaar werd erkend. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep van klager wordt verworpen en het conservatoir beslag op het geldbedrag blijft gehandhaafd.