ECLI:NL:PHR:2010:BN2370
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt deel veroordeling wegens onvoldoende bewijs voor voorhanden hebben vuurwapen
De zaak betreft een hoger beroep tegen een veroordeling door het Gerechtshof Arnhem waarbij verdachte werd veroordeeld voor poging tot moord en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie in strijd met artikel 26 van Pro de Wet wapens en munitie. De verdediging verzocht herhaaldelijk om het horen van diverse getuigen en het uitvoeren van een videoreconstructie om onduidelijkheden over het aantal schoten, de afstand tussen schutter en slachtoffer en de herkenning van verdachte te verhelderen. Het hof wees deze verzoeken af op grond van het noodzaakcriterium, waarbij het onderscheid tussen het criterium van het verdedigingsbelang en het noodzaakcriterium centraal stond.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof de juiste maatstaf heeft toegepast bij de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen en het uitvoeren van een reconstructie. Wel oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat verdachte het vuurwapen en de munitie daadwerkelijk voorhanden had, nu verdachte verklaarde geen wetenschap te hebben van de aanwezigheid daarvan in de opslagbox die hij huurde en waar ook anderen toegang toe hadden. De bewezenverklaring voor dit feit is daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het betreft het bewezenverklaren van het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie en de daaraan verbonden strafoplegging. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling van dit onderdeel, terwijl het beroep voor het overige wordt afgewezen.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor het bewezenverklaarde feit van het voorhanden hebben van vuurwapen en munitie en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.