ECLI:NL:PHR:2010:BG5382
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over ontvankelijkheid bezwaar en infiltratieaftrek grondwaterbelasting
Deze cassatieprocedure betreft de ontvankelijkheid van een bezwaarschrift tegen op aangifte voldane grondwaterbelasting en de toepassing van de infiltratieaftrek. Belanghebbende exploiteert een drinkwaterbedrijf en maakte bezwaar tegen de grondwaterbelasting over meerdere jaren, waaronder november 2003. De Inspecteur verklaarde sommige bezwaren ontvankelijk en verleende teruggaaf, de Rechtbank vernietigde deze beslissingen deels en verklaarde bezwaren niet-ontvankelijk. Het Hof behandelde hoger beroepen van belanghebbende en Inspecteur als twee aparte zaken en verklaarde bezwaren over bepaalde perioden niet-ontvankelijk, onder meer omdat bezwaren voortijdig waren ingediend.
De Hoge Raad stelt vast dat het bezwaar tegen betaling op aangifte pas ontvankelijk kan zijn indien het is ingediend op of na de dag waarop de betaling op de rekening van de ontvanger is bijgeschreven. Indien het bezwaar eerder wordt ingediend, is het in beginsel niet-ontvankelijk, tenzij de indiener redelijkerwijs mocht menen dat de betaling reeds had plaatsgevonden. De Hoge Raad bevestigt dat deze redelijke wetsuitlegging ook geldt voor bezwaren tegen op aangifte voldane bedragen, ondanks dat hieraan geen besluit ten grondslag ligt.
Ten aanzien van de infiltratieaftrek oordeelt de Hoge Raad dat deze aftrek alleen kan worden toegepast indien het infiltreren van water geschiedt in overeenstemming met de voorwaarden gesteld in een vergunning verleend op grond van de Grondwaterwet. In casu was geen vergunning voor infiltratie verleend, zodat geen recht op aftrek bestaat. De Hoge Raad wijst ook op het onjuiste van het Hof om de hoger beroepen van belanghebbende en Inspecteur als aparte zaken te behandelen en afzonderlijke uitspraken te doen, aangezien het om één zaak gaat. De uitspraak van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.
De Hoge Raad behandelt tevens het verbod van reformatio in peius en bevestigt dat de rechter ambtshalve ontvankelijkheid moet toetsen, ook indien dit nadelig is voor de belanghebbende. De Inspecteur kan na vernietiging van een uitspraak op bezwaar ambtshalve een beslissing nemen. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van termijnen en vergunningseisen bij grondwaterbelasting en infiltratieaftrek.
Uitkomst: Bezwaar tegen betaling op aangifte was niet ontvankelijk wegens voortijdige indiening; infiltratieaftrek werd afgewezen wegens ontbreken van vergunning.