ECLI:NL:PHR:2009:BJ5042
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtsingang voor proceskostenvergoeding na intrekking hoger beroep door inspecteur in fiscale procedure
Belanghebbende maakte kosten voor verweer tegen het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep in een fiscale procedure. Nadat belanghebbende een verweerschrift had ingediend, trok de Inspecteur zijn hoger beroep in. Belanghebbende vorderde vervolgens vergoeding van deze proceskosten.
Het Hof verklaarde zich onbevoegd omdat de wet geen regeling bevat voor proceskostenvergoeding bij intrekking van het hoger beroep door de Inspecteur in fiscale zaken. De Hoge Raad concludeert dat de wetgever een omissie heeft gemaakt door geen regeling op te nemen voor deze situatie, terwijl vergelijkbare bepalingen wel bestaan voor andere bestuursrechtelijke procedures en de cassatieprocedure.
De conclusie stelt dat de rechter in deze leemte kan voorzien door analoge toepassing van bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht en andere bestuursrechtelijke wetten. Daarbij moeten de vormvoorschriften en termijnen van die bepalingen worden gevolgd, waaronder het indienen van het verzoek binnen zes weken na bekendmaking van de intrekking.
In de onderhavige zaak werd het verzoek pas na deze termijn ingediend, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Hoge Raad adviseert het beroep in cassatie gegrond te verklaren, het oordeel van het Hof te vernietigen en het verzoek om proceskostenvergoeding niet-ontvankelijk te verklaren.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn.