ECLI:NL:PHR:2009:BI5912
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijk aansprakelijkheid bestuurder bij faillissement wegens onbehoorlijk bestuur en verrekening vorderingen
In deze zaak stond de vraag centraal of een bestuurder die aansprakelijk wordt gesteld op grond van artikel 2:248 BW Pro wegens onbehoorlijk bestuur in faillissement, zijn schuld kan verrekenen met een tegenvordering op de failliete vennootschap. De curator had een vordering ingesteld tegen de bestuurder voor een voorschot op de schulden van de boedel en verdere betaling.
De rechtbank en het hof hadden de bestuurder veroordeeld en het beroep op verrekening afgewezen, omdat de vordering van de curator een vordering van de gezamenlijke schuldeisers betreft en niet van de vennootschap zelf. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en benadrukt dat de aansprakelijkheid ex artikel 2:248 BW Pro jegens de boedel is en niet jegens de schuldeisers afzonderlijk.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de parlementaire geschiedenis en literatuur, waarin wordt aangegeven dat de aansprakelijkheid van bestuurders in faillissement een verscherpte uitwerking is van de norm van behoorlijke taakvervulling jegens de vennootschap, met als doel de bescherming van schuldeisers. De curator treedt op als boedelbeheerder en niet als vertegenwoordiger van de schuldeisers.
De Hoge Raad wijst het beroep af en bevestigt dat verrekening tussen de schuld van de bestuurder aan de boedel en een vordering van de bestuurder op de vennootschap niet mogelijk is, omdat het hier om gescheiden vermogens gaat en er geen wederkerigheid bestaat. De motivering van het hof wordt als voldoende beoordeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verrekening van vorderingen door bestuurders jegens de boedel niet mogelijk is en wijst het cassatieberoep af.