ECLI:NL:HR:2009:BI5912

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12792
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:248 BWArt. 2:138 BWArt. 2:9 BWArt. 53 FwArt. 6:162 BW
Verwijzingen
6 uitgaand · 9 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurder bij faillissement wegens onbehoorlijk bestuur

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin eiseres en een medebestuurder hoofdelijk werden veroordeeld tot betaling van een voorschot en het resterende tekort van de failliete boedel van meerdere vennootschappen binnen de Simoca Groep. De curator had hen aangesproken op grond van onbehoorlijk bestuur ex art. 2:248 BW Pro.

Eiseres voerde onder meer aan dat zij haar vordering op de gefailleerde vennootschappen mocht verrekenen met de vordering van de curator. Het hof wees dit af omdat volgens art. 53 Fw Pro verrekening tussen een curator en een bestuurder niet is toegestaan wanneer de vordering van de bestuurder op de vennootschap is en de vordering van de curator op de gezamenlijke crediteuren van de vennootschap.

De Hoge Raad bevestigt dat de aansprakelijkheid van bestuurders op grond van art. 2:248 BW Pro niet jegens de gefailleerde vennootschap zelf bestaat, maar jegens de boedel. Daardoor kan een bestuurder zijn vordering op de vennootschap niet verrekenen met de vordering van de curator. Het beroep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiseres wordt bevestigd met beperking tot € 200.000.

Uitspraak

18 september 2009
Eerste Kamer
07/12792
EV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J.P. Heering en mr. S.M. Bartman,
t e g e n
mr. A. VAN DEN END, handelend in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van Stichting Derdengelden Simoca Ltd., Stichting Derdengelden Simon en de rechtspersonen naar buitenlands recht Conban Beheer Limited, h.o.d.n. Simoca Nederland,
wonende te Utrecht,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. P.J.M. Von Schmidt auf Altenstadt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en de curator.
1. Het geding in feitelijke instanties
De (voorganger van de) curator heeft bij exploot van 24 januari 2003 [betrokkene 1] en [eiseres] gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd, kort gezegd, [betrokkene 1] en [eiseres] hoofdelijk dan wel afzonderlijk te veroordelen tot betaling van het bedrag van de schulden van de boedel, voor zover die niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, tot een bedrag van € 2.000.000,-- als voorschot, en van het resterende bedrag, nader op te maken bij staat.
[Betrokkene 1] en [eiseres] hebben de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 6 april 2005 [betrokkene 1] en [eiseres] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan de curator van een voorschot van € 2.000.000,-- en tot betaling aan de curator van het bedrag van de schulden van de boedel voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, nader op te maken bij staat. De rechtbank heeft tevens bepaald dat [eiseres] ter zake van de hiervoor vermelde betalingsveroordelingen niet gehouden is meer bij te dragen van € 200.000,-- totaal.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 26 juli 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 28 mei 2009 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De Stichting Derdengelden Simoca Ltd., de Stichting Derdengelden Simon, Conban Beheer Ltd. en Simoca Ltd. zijn alle in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 maart 2002 met benoeming van mr. J. C. van Apeldoorn tot curator. Tegen de genoemde rechtspersonen liep een onderzoek naar overtreding van de Wet toezicht effectenverkeer, oplichting, verduistering en valsheid in geschrift.
(ii) De gefailleerde rechtspersonen maken deel uit van de zogeheten Simoca Groep. Aan het hoofd van deze groep staat Simoca Director Ltd., waarvan alle aandelen werden gehouden door [eiseres].
(iii) Simoca Director Ltd. was voorafgaand aan en ten tijde van het faillissement bestuurder van de gefailleerde rechtspersonen. [Betrokkene 1], de moeder van [eiseres], was in de jaren voorafgaand aan en ten tijde van het faillissement, met een onderbreking van 2 januari 2001 tot en met mei 2001, bestuurder van Simoca Director Ltd. [Eiseres] zelf was bestuurder van Simoca Director Ltd. van 22 maart 2001 tot 22 mei 2001.
(iv) [Betrokkene 1] is van 20 december 2000 tot 15 mei 2001 gedetineerd geweest in Duitsland. Op 20 december 2000 heeft zij aan [eiseres] een volmacht verstrekt om haar in al haar functies te vertegenwoordigen. [Eiseres], geboren in 1982, is vanaf 1 juli 1998 in de functie van directie-assistente in dienst geweest van Conban Beheer Ltd.
Per 17 april 2000 ontving zij een salaris van ƒ 131.565,38 per jaar. In 2000 en 2001 zijn bedragen tot een totaal van ƒ 240.000,- overgeboekt van de Simoca Groep naar privé-rekeningen van [eiseres].
(v) De gefailleerde vennootschappen hebben geen toereikende boekhouding bijgehouden en niet, althans niet binnen de daarvoor geldende termijnen, hun jaarrekeningen gedeponeerd. Het tekort in de faillissementen bedraagt naar verwachting € 11 à 12 miljoen.
3.2 De door de curator ingestelde vordering berust op art. 2:248 BW Pro. De rechtbank heeft de vordering toegewezen, waarbij zij bepaalde dat [eiseres] niet gehouden is meer bij te dragen dan een bedrag van € 200.000,--, tot welk bedrag zij de aansprakelijkheid van [eiseres] op de voet van art. 2:248 lid 4 heeft Pro verminderd. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Met betrekking tot het door [eiseres] gedane beroep op verrekening van de vordering van de curator met een vordering die zij stelt op de Simoca Groep te hebben, overwoog het hof (rov. 3.13):
"Het beroep van [eiseres] op verrekening wordt verworpen nu de door haar gepretendeerde vordering een vordering op de Simoca groep betreft, terwijl het bij de door de curator tegen haar ingestelde vordering om een vordering van de gezamenlijke crediteuren van de Simoca groep gaat en niet om een vordering van de Simoca groep, zodat ingevolge artikel 53 Fw Pro verrekening is uitgesloten (HR 14 januari 1983 NJ'83;597)."
3.3 Het middel richt rechts- en motiveringsklachten tegen dit oordeel. Het betoogt dat een vordering als bedoeld in art. 2:248 toekomt Pro aan de vennootschap (respectievelijk de failliete boedel) en niet aan de schuldeisers, zodat de ingeroepen verrekening niet kan worden uitgesloten wegens het ontbreken van de vereiste wederkerigheid. Voorts dat de verwijzing van het hof naar het arrest van 14 januari 1983 onjuist, althans niet begrijpelijk is, nu art. 2:248 niet Pro een lex specialis is van art. 6:162 BW Pro, maar een nadere invulling inhoudt van art. 2:9 BW Pro.
3.4 Deze klachten falen, aangezien 's hofs oordeel dat de door [eiseres] gepretendeerde vordering op de gefailleerde vennootschappen door haar niet in verrekening gebracht kan worden met de door de curator tegen haar ingestelde vordering, juist is. De aansprakelijkheid van bestuurders ingevolge de art. 2:138 en Pro 2:248 BW is geen aansprakelijkheid jegens de gefailleerde vennootschap maar een aansprakelijkheid jegens de boedel. De aansprakelijke bestuurder is geen schuldenaar van de gefailleerde, terwijl zijn schuld bovendien niet vóór de faillietverklaring is ontstaan of voortvloeit uit handelingen door hem vóór de faillietverklaring met de vennootschap verricht, zodat niet is voldaan aan de door art. 53 F. voor verrekening gestelde voorwaarden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 5.987,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 september 2009.