ECLI:NL:PHR:2009:BI4192
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontzegging omgangsrecht vader met minderjarige zoon wegens risico op ernstig nadeel
Uit het huwelijk van de vader en moeder is een zoon geboren in maart 2001. Na een poging tot zelfdoding van de vader in 2003 gingen de ouders gescheiden leven. In 2004 werd het gezamenlijk gezag vastgesteld en een omgangsregeling overeengekomen. Tot juni 2006 vond omgang plaats volgens deze regeling.
In juli 2006 stuurde de vader een brief aan de politie waarin hij aangaf zichzelf en zijn zoon van het leven te willen beroven, maar hij voerde deze daad niet uit. Sindsdien is feitelijk geen omgang meer geweest. De moeder verzocht de rechtbank om het gezag aan haar toe te wijzen en de omgang met de vader te ontzeggen. De kinderrechter wees het verzoek tot wijziging gezag af, maar vroeg advies over een begeleide omgangsregeling.
Het hof vernietigde de beschikking van de kinderrechter en kende het gezag exclusief aan de moeder toe, terwijl het omgangsrecht van de vader werd ontzegd. Het hof motiveerde dit met het risico van herhaling van de bedreiging, het ontbreken van ziekte-inzicht en empathie bij de vader, en het belang van het kind bij het vermijden van spanningen. De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten en bevestigde dat het hof terecht het omgangsrecht had ontzegd op grond van de zwaarwegende belangen van het kind.
Uitkomst: De omgangsrecht van de vader met zijn zoon wordt ontzegd wegens risico op ernstig nadeel en onvoldoende ziekte-inzicht.