ECLI:NL:PHR:2009:BH4061
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid Ontvanger bij executoriale veiling ondanks niet-tijdige doorzending verzet aan Directeur
De zaak betreft een geschil tussen de Ontvanger van de Belastingdienst en een derde, eiseres tot cassatie, over de executoriale veiling van een strandpaviljoen en inventaris waarop bodembeslag was gelegd ten laste van de belastingschuldige, De Koperen Ploert B.V.
De Ontvanger had bodembeslag gelegd op het paviljoen en de inventaris, waarna eiseres zich op grond van art. 435 lid 3 Rv Pro schriftelijk tegen het verhaal op deze zaken verzette. De Ontvanger vorderde daarop dat eiseres de executoriale veiling zou dulden. De rechtbank verklaarde de Ontvanger niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig doorzenden van het verzet aan de Directeur zoals voorgeschreven in de Leidraad Invordering 1990. Het hof stelde de Ontvanger alsnog in het gelijk.
De Hoge Raad bevestigt dat het voorschrift tot doorzending van het verzet aan de Directeur geen constitutief vereiste is voor de ontvankelijkheid van de vordering, maar een interne maatregel betreft die herstel toelaat. Daarnaast oordeelt de Raad dat het strandpaviljoen, dat slechts tijdelijk gedurende het strandseizoen op het gehuurde perceel wordt geplaatst, als roerende zaak moet worden aangemerkt en onder het bereik van het fiscale bodemrecht valt. De cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt de cassatie en bevestigt dat de Ontvanger ontvankelijk is in zijn vordering tot executoriale veiling ondanks het niet tijdig doorzenden van het verzet aan de Directeur.